1988/10 ongegrond

W. BRAUN TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN DE LIMBURGER

Bij brief van 4 februari 1988 met acht bijlagen heeft W. Braun te Maastricht (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Limburger (betrokkene). Bij brief van 23 februari 1988 heeft deze op de klacht gereageerd .
De Raad heeft op 17 maart 1988 met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In De Limburger van 21 november 1987 is in de vaste ingezonden brieven rubriek 'Post' van De Limburger een ingezonden brief geplaatst van klager met als kopje 'Studiefinanciering'. Naar aanleiding van de kritiek op de wijziging van de studiefinanciering maakt klager in zijn brief melding van zijn eigen positieve ervaring met de nieuwe wet.

'Na ontvangst van het aanvraagformulier met toelichting hebben wij een aanvraag ingediend. Voor de invulling van het formulier moest de uitgebreide toelichting terdege worden bestudeerd. Ondanks dat wij een van de gevraagde gegevens niet exact konden aangeven verliep de toekenning normaal en hebben wij ruim de tijd gekregen het gevraagde nog op te sturen. Van de enkele gevallen van een onjuiste uitkering waarvan ik weet ging het ook om een foutieve aanvraag'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De oorspronkelijke brief van klager was langer dan de gepubliceerde versie. Klager meent dat door de inkorting van zijn brief deze 'verminkt en verdraaid' in de krant kwam. Klager acht het onjuist dat De Limburger geweigerd heeft van zijn bezwaren tegen de inkorting melding te maken. Het beroep van De Limburger op de vaste regels bij de behandeling van ingezonden stukken ziet hij als 'een vrijbrief' van de redactie 'om op naam van de inzender diens stuk te manipuleren'.

Naar de mening van betrokkene heeft de door de redactie toegepaste bekorting geen afbreuk gedaan aan de essentie van de ingezonden brief van klager.
'Hij breekt in zijn stuk een lans voor de studiefinanciering. In de versie van zijn brief die gepubliceerd is, blijft dat overeind. Geen mens kan de geplaatste brief van de heer Braun lezen of interpreteren als negatief tegenover de studiefinanciering. Integendeel, zijn gunstige ervaring met 'Groningen' komt onverkort tot uiting'.
Betrokkene heeft gewezen op het feit dat de redactie zich het recht voorbehoudt ingezonden brieven in te korten of deze te herformuleren. Betrokkene meent daarom dat klager van te voren had kunnen weten dat zijn brief wellicht ingekort zou worden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het recht ingezonden brieven in te korten behoort tot de vrijheid van de redactie. De Raad gaat ervan uit dat klager met deze vaste regel op de hoogte kon zijn. De ingekorte vorm waarin de brief van klager is gepubliceerd doet volledig recht aan de essentie van die brief. De bezwaren van klager treffen Reen doel.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Limburger te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 17 maart 1988 door Mr. R. de Waard, voorzitter, J. de Troye, Mr. F. Kuitenbrouwer en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 10.