1987/5 ongegrond

Nederlands Centrum Buitenlanders contra Algemeen Dagblad

Bij brief van 26 augustus 1986 met twee bijlagen en aanvullende brief van 8 september 1986 heeft de Stichting Nederlands Centrum Buitenlanders te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist Cees van den Berg en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (betrokkenen). Bij brief van Cees van den Berg van 22 december 1986 hebben betrokkenen zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987. Klaagster werd vertegenwoordigd door L. H. Sandberg en Mw W. Fleuren. Betrokkenen waren beiden in persoon aanwezig.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten. In het Algemeen Dagblad van 11 augustus 1986 is onder de kop 'Een gruweldood voor het offerfeest' een stuk verschenen van Cees van den Berg over ritueel slachten door islamieten in Nederland. Aanleiding voor het stuk is het jaarlijkse islamitische offerfeest van 16 augustus 1986. In het stuk worden aan het woord gelaten Jos Arbouw en Marianne Dijkgraag van de stichting S.O.S. voor Huisdieren, die zich beiden hevig verzetten tegen het rituele slachten in Nederland. Het stuk bevat de volgende citaten.

'Dan worden er zo'n zestienduizend dieren, schapen en runderen, geslacht volgens de islamitische ritus. Dat wil zeggen dat de halsslagader wordt doorgesneden zonder dat die dieren eerst zijn verdoofd. Veelal gebeurt dat door ondeskundigen . . .'
'De slachthuizen zijn niet op de grote toename van dieren tijdens het Offerfeest berekend. De enorme tijdsdruk waaronder geslacht moet worden leidt in de praktijk tot bijsnijden of ondeskundig snijden door een der familieleden, met vreselijk leed voor het dier. De traditie schrijft voor dat het mes scherp moet zijn, maar in de praktijk blijkt - zo is door slachters en directeuren van slachthuizen bevestigd - dat de controle onvoldoende is. De islamieten willen zelf het mes hanteren, waardoor de slachting wreed uitgevoerd wordt'.
'Wie het tafereel van dichtbij heeft aanschouwd kent de foltering die het dier ondergaat, wanneer het snakkend naar adem bij vol bewustzijn een gruweldood sterft' .
'Met een aardappelschilmes . . .' 'Ja, dat gebeurt nu ook nog wel. Maar ik denk toch dat door voorlichting, ook in islamitische kring, het aantal misstanden teruggelopen is. Zo had je wel gevallen dat levende schapen in de kofferbak van de auto werden gepropt, maar het vervoer is nu veel beter. Er wordt ook beter op gelet of de messen scherp zijn, er is een mogelijkheid voor opleiding op de slagersvakscholen - allemaal van die dingen die we via het platform hebben bereikt'.

De statutaire doelstelling van klaagster is de behartiging van de belangen van buitenlanders waaronder islamitische buitenlanders in Nederland. In die hoedanigheid heeft klaagster zich naar aanleiding van de publikatie telefonisch en schriftelijk gewend tot betrokkene Van den Berg met kritiek op zijn artikel en met het verzoek op korte termijn een positieve publikatie te wijden aan Moslims in Nederland.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster vormt ritueel slachten wanneer dit vakkundig geschiedt éen van de humaanste slachtmethoden die er bestaan. In Nederland wordt door de overheid behoorlijke controle uitgeoefend op het rituele slachten. Die kant van de zaak wordt in de publikatie in het Algemeen Dagblad niet belicht. De daarin genoemde feiten zijn op zichzelf niet allemaal volstrekt onjuist, maar leveren in hun totaliteit wel een onjuist en ongenuanceerd beeld op waardoor bij het publiek ten onrechte de indruk wordt versterkt dat Moslims zich bedienen van barbaarse slachtmethoden. Omdat op de brief aan Cees van den Berg geen antwoord is gekomen heeft klaagster zich tot de Raad voor de Journalistiek gewend.

Betrokkenen hebben hier het volgende tegenover gesteld. Het aan de brief van klaagster aan Cees van den Berg voorafgaande telefoongesprek was van dien aard dat deze niet voelde voor verder overleg. Indien klaagster zich vervolgens tot de hoofdredactie had gewend zou dit alsnog mogelijk geweest zijn. Dat aan het verzoek van klaagster in een latere publikatie positief te schrijven over Moslims in Nederland niet werd voldaan heeft geen principiële achtergrond.
Het onderhavige stuk moet gezien worden in verband met het karakter van de desbetreffende rubriek, namelijk een platform voor vrije meningsuiting. Anders dan bij een nieuwsrubriek is er daarom in het algemeen geen reden voor het toepassen van het beginsel van wederhoor. Het karakter van de rubriek staat niet als zodanig aangegeven maar is volgens betrokkenen bij de lezers wel bekend.

Naar de mening van betrokkenen ligt het accent van het stuk op de kwestie van dierenleed en is het niet gericht tegen Moslims. Het is bij de lezers bekend dat betrokkene Van den Berg een dierenvriend is, die hiervan in zijn stukken al vaak heeft blijk gegeven .

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het gewraakte artikel worden twee vrouwen - van wie één woordvoerster is van een dierenbeschermingsorganisatie - aan het woord gelaten die in scherpe bewoordingen afkeuring uitspreken over de praktijk van het ritueel slachten. De Raad constateert dat de geuite kritiek geen grove onwaarheden bevat, zoals klaagster heeft erkend door bij al haar bezwaren op onderdelen toch geen eis tot rectificatie te doen.
De uitgesproken mening houdt weliswaar een scherpe afkeuring in maar is duidelijk herkenbaar als een eenzijdige ontboezeming, zodat betrokkene niet gehouden was in hetzelfde of een ander artikel een anders luidende mening weer te geven, hoezeer ook de gevoelige positie van minderheidsgroepen noopt tot extra zorgvuldigheid in berichtgeving waarbij deze betrokken zijn. Een uitzondering vormt de tendentieuze kop boven het artikel, die niet ontleend was aan een mededeling van de critici die aan het woord werden gelaten en die meer over mensen dan over dieren lijkt te gaan. De Raad acht de kop onnodig grievend jegens Islamieten, maar dit verwijt kan er niet toe leiden dat het hele artikel beschouwd moet worden als maatschappelijk onaanvaardbaar, bezien vanuit de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid.
Afzonderlijke bespreking verdient de wijze waarop de bezwaren van klaagster ter redactie zijn behandeld. Klaagster werd doorverwezen naar het huisadres van de schrijver van het artikel die te kennen gaf verder niet op de bezwaren te willen ingaan. Wellicht had van klaagster, die beschikt over een professionele voorlichtingsfunctionaris, verwacht mogen worden dat zij de aangelegenheid vervolgens had opgenomen met de hoofdredactie.
Toch vindt de Raad in deze gang van zaken aanleiding te wijzen op het belang dat klachten van buitenstaanders over journalistieke gedragingen zonodig door de betrokken journalist zelf behoorlijk worden gemeld aan de journalistieke leiding van de betreffende nieuwsorganisatie.

BESLISSING

De Raad keurt de kop boven het artikel af en is voor het overige van oordeel dat het Algemeen Dagblad niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de Islamieten in Nederland door in de uitgave van 11 augustus 1986 heftige kritiek van twee strijdsters van ritueel slachten op te nemen.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 27 januari 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. A. J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 5.