1987/4 gegrond

Mr. H. C. M. M. Janssen contra Rotterdams Nieuwsblad

Bij brief van 26 november 1986 met één bijlage heeft Mr. H. C. M. M. Janssen te Schiedam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en de journalist Kor Kegel (betrokkenen). Bij brief van 23 december 1986 met vier bijlagen hebben deze zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987. Partijen waren in persoon aanwezig. Klager heeft ter zitting nog een schriftelijke repliek ingediend met twee bijlagen. Hierop is door betrokkenen gereageerd bij brief van 5 februari 1987.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In het Rotterdams Nieuwsblad van 7 november 1986 is een artikel verschenen met als kop 'Notaris Van der Valk in verweer bij Gerechtshof' met daarboven in kleinere letters 'in stille uurtjes' gehandeld in onroerend goed'. Het artikel opent met de mededeling dat het Gerechtshof te Amsterdam op 27 november uitspraak zal doen 'in de zaak rond notaris C. F. J. van der Valk'. Hierop volgt de mededeling dat de notaris 'in het verleden druk gehandeld (heeft) in onroerend goed, wat op gespannen voet staat met de boodschap van de Koninklijke Notariele Broederschap dat een notaris zich van handel en actieve belegging in vast goed dient te onthouden'. Volgens het artikel heeft de notaris zich tegen de beschuldigingen verweerd. 'Voor een deel zijn er oude koeien uit de sloot gehaald, klinkt het'

Het laatste deel van het artikel geeft een opsomming van onroerend goed transacties waarbij de notaris betrokken zou zijn geweest. Dit deel van het artikel opent met de volgende zin: 'Van der Valk was, in de tijd dat de zaak aan het rollen kwam . . .'

In het middendeel van het artikel wordt klager genoemd in de volgende passages.
'Van deze drie kandidaat-notarissen, K. van der Ham, P. Vos en mr. H. C. M. M. Janssen, is de laatste ook in 1979 reeds genoemd als betrokkene in de onroerend-goedhandel .

MISLUKT

Cor van der Valk (53) en mr. Bert Janssen (42) vormden enige tijd de directie van beleggingsmaatschappij Noval bv, totdat Janssen op 1 april 1980 uittrad. In oktober 1979 had Rudie van Meurs in Vrij Nederland geschreven dat Janssen voor zichzelf wilde beginnen om zich vervolgens met Van der Valk te associeren. Inderdaad heeft Janssen later een aanvraag ingediend zich zelfstandig te mogen vestigen, maar notaris mr. D. W. van Terwisga uit Leeuwarden, voorzitter van de Koninklijke Notariele Broederschap, meent zich te herinneren dat zijn organisatie de aanvraag 'gezien de omstandigheden' niet gehonoreerd wenste te zien. Hij veronderstelt dat ook een tweede poging van Janssen mislukt is'.

'Afgaande op wat Van Terwisga zegt als voorzitter van de Koninklijke Notariele Broederschap, afgaande ook op de uitspraak van diens voorganger Santen die de handelwijze van Van der Valk destijds 'niet sjiek' noemde, kan worden geconcludeerd dat Janssen zijn kansen heeft vergooid door met Van der Valk in vastgoed te handelen'.
In het laatste deel van het artikel wordt over klager meegedeeld dat hij destijds mede-directeur was van de door notaris Van der Valk opgerichte vennootschap Valno Vastgoed B.V. en dat 'zodra Noval of Valno voor de notaris verschenen' deze door klager vertegenwoordigd werden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het verwijt van klager is dat het artikel geen onderscheid maakt tussen de in 1979 afgedane zaak en de zaak waarover het Gerechtshof te Amsterdam op 17 november 1986 uitspraak zou doen. Klager is bij de eerste zaak wel betrokken geweest. Met de tweede zaak heeft hij niets te maken. Het artikel wekt ten onrechte de indruk dat de vroegere kwestie van de handel in onroerend goed nog steeds niet zou zijn afgedaan. Deze onjuiste suggestie straalt nu ook op klager af. Klager meent dat betrokkenen zich beter hadden moeten en kunnen informeren. De zaak waarover het Hof op 27 november zou beslissen was al openbaar doordat de Kamer van Toezicht hierover drie maanden eerder in eerste instantie uitspraak had gedaan.
Klager meende dat het artikel ook onjuistheden bevat. Hij heeft nimmer een aanvraag gedaan zich zelfstandig als notaris te mogen vestigen. Een dergelijk verzoek kan dus ook nimmer afgewezen zijn, laat staan twee maal zoals het artikel suggereert. Wel heeft notaris Van der Valk eenmaal een aanvraag gedaan voor een 'associatieve vestiging'.

Het verweer van betrokkenen is dat de notaris zelf de indruk heeft gewekt dat de uitspraak van het Hof van 27 november 1986 mede betrekking had op oude, slepende zaken. De notaris sprak immers over oude koeien, die uit de sloot gehaald werden. Het was betrokkenen niet bekend dat in 1979 door het Hof te Amsterdam al uitspraak gedaan was en dat de beschuldigingen van destijds hiermee afgedaan waren. Waarover het Hof zich op 27 november zou uitspreken was volgens betrokkenen uit openbare bronnen niet te achterhalen. Noch de Broederschap noch de Kamer van Toezicht gaven inlichtingen over de uitspraak in eerste aanleg van de Kamer van Toezicht.
Betrokkenen menen dat zij daarom er van uit mochten gaan dat de in het artikel genoemde onroerend goed praktijken nog actuele betekenis hadden. Volgens betrokkenen is klager alleen in verband met die vroegere zaken genoemd. Zij bestrijden dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. Over de kwestie van de zelfstandige vestiging van klager is nauwkeurig vermeld wat geraadpleegde bronnen daarover hebben meegedeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Op grond van klagers eigen verklaring gaat de Raad er van uit dat klager een zekere rol heeft gespeeld bij de handel in onroerend goed door notaris C. F. J. van der Valk te Schiedam. De Raad neemt aan dat die gedragingen zijn afgedaan door de uitspraak van het Hof in 1979. De Raad neemt voorts aan dat klager geen aandeel heeft gehad in de zaken van notaris Van der Valk waarover het Hof te Amsterdam op 27 november 1986 uitspraak zou doen.
Ter beoordeling van de Raad staat de vraag of het artikel voldoende onderscheid maakt tussen beide zaken. Zoals betrokkenen zelf hebben erkend is dit niet het geval. Het verweer van betrokkenen dat zij door notaris Van der Valk zelf op een verkeerd spoor zijn gezet en dat zij mede gezien de terughoudendheid van diverse instanties tot het geven van nadere informatie, mochten aannemen dat ook de oude zaken nog speelden, gaat naar het oordeel van de Raad niet op. De in de publikatie over klager verstrekte informatie stelt hem in een ongunstig daglicht. Bij het verstrekken van dergelijke informatie dient de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen. Betrokkenen hadden zich beter moeten en kunnen informeren. Doordat het artikel niet duidelijk maakt dat bedoelde diffamerende informatie betrekking heeft op een reeds in 1979 afgesloten zaak hebben betrokkenen onzorgvuldig gehandeld jegens klager.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen onzorgvuldig hebben gehandeld jegens klager door in hun artikel niet duidelijk te maken dat de notariele tuchtzaak waarbij klager betrokken is geweest reeds in 1979 is afgedaan en door integendeel de indruk te wekken dat deze zaken nog steeds speelden.

De Raad acht de klacht gegrond.
De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in het Rotterdams Nieuwsblad.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. A. J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 4.