1987/31 gegrond

STICHTING HAAGS MELD- EN REGISTRATIEPUNT DISCRIMINATIEZAKEN EN ALGEMENE NEDERLANDSE POLITIEBOND TEGEN HAAGSCHE COURANT

Bij brief van 11 september 1987 heeft de Stichting Haags Melden Registratiepunt Discriminatiezaken te Den Haag (klaagster), mede namens de Algemene Nederlandse Politiebond, een klacht ingediend tegen Drs. J. R. Soetenhorst, hoofdredacteur van de Haagsche Courant (betrokkene).
Bij brief van 15 oktober 1987 heeft deze op de klacht gereageerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 november 1987. Klaagster werd ter zitting vertegenwoordigd door de dames J. Silversmith en J. Ligtvoet, samen met de meldster van de klacht Th. H. Vrolik. De algemene Nederlandse Politiebond werd vertegenwoordigd door Mevrouw G. Dijksman, politiefunctionaris bij de Haagse Gemeentepolitie, tevens belast met het vrouwensecretariaat binnen de Algemene Nederlandse Politiebond .
Betrokkene werd vertegenwoordigd door A. J. IJdens.

DE FEITEN

In de Haagsche Courant van 20 juni 1987 is onder de titel 'Agente' de vaste column van J. D. Swart verschenen. Het onderwerp van de column is een aan de schrijver door een vrouwelijke agent gegeven bekeuring wegens het feit, dat hij bij een aanhouding zijn rijbewijs niet kon tonen. In de inleiding tot de beschrijving van die aanhouding wijdt de schrijver een aantal gedachten aan vrouwelijke agenten. De eerste zin van de column luidt: 'Ik verkies een agent boven een agente'. Daarop volgen onder meer de volgende uitlatingen .

'Ze verenigen in hun persoon vaak een geestelijke onechtheid met een verborgen lichamelijk abuis. Een enkele keer kan men dat horen. Een 'echte' agente is namelijk transseksueel, die heeft een stem als een bootwerker en zo hoort het'.
'Een agente is ook zelden minzaam' .
'Haar grondtoon is vijandig'.
'Toch kan ik ook enig mededogen met deze meisjes niet onderdrukken . . . ze zijn in hartstocht te kort gekomen. Ze hebben bovendien het broeden gemist en dat gaat zich op latere leeftijd wreken' .
'In negen van de tien gevallen zie ik grauwe kippen, die vinnig naar hun voedsel zoeken'.
'Toch vinden heel wat meisjes het een voorrecht om dit te mogen doen. Zij maken ons gebruiksvoorwerp van hun macht'.

Bij brief van 25 juli 1987 heeft klaagster betrokkene in kennis gesteld van de melding van mevrouw Th. H. Vrolik, die zich gestoord had aan de vooroordeelversterkende werking van de column. Klaagster heeft betrokkene gevraagd om een gesprek met de schrijver en om een openlijk excuus in de krant aan alle vrouwelijke agenten.
In de Haagsche Courant van 17 juni 1987 is onder de titel 'De brief' de volgende column van J. D. Swart verschenen. De column opent met de volgende zin: 'Ik heb een rumoerige week achter de rug, waarin ik vergeefs uitkeek naar de volgende brief'. De column is verder geschreven in de vorm van een aan Swart gerichte brief, afkomstig van de in de column van de vorige week genoemde agente A. J. van Claessen .
In deze brief komen de volgende passages voor.

'Ik lees U namelijk nooit. Toch ben ik er dit keer eens goed voor gaan zitten. Ik vond het een ongehoorde prestatie. Ik las één langgerekte ongenuanceerde menselijke boosheid, waarin U mishaagd ons hele vrouwelijke korps in de afdaling meenam. Uw striemende zweepslagen waren weliswaar onnozel en ongepast, maar één ding moet ik U oprecht nageven: hoe krijgt U zo weinig ridderlijks bij elkaar verzonnen?' 'Uw grondtoon was vijandig. Ik zit daarom met een klemmende vraag. Tot hoever mag je in dit land gaan met het bekeuren van een columnist? Niet ver blijkt. Toch kan ik enig mededogen met U niet onderdrukken. Dat komt omdat ik van Uwer collegae weet dat U tijdens uw jeugd vergeefs gepoogd heeft om met een vrouw in uniform een hartstocht te delen. Ik denk dat ik het als volgt kan samenvatten, U bent in liefde tekort gekomen. Dat gaat zich op latere leeftijd wreken'.

Bij brief van 8 juli 1987 heeft betrokkene aan klaagster het volgende laten weten.
'Ook binnen de krant was er enige beroering ontstaan over de door U gewraakte column van Jan Swart. Om die reden is hij bij de volgende gelegenheid, op 27 juni jl., nog eens op de affaire teruggekomen. Die column zend ik U hierbij toe. Een gesprek lijkt me derhalve weinig zinvol. In het algemeen hecht ik zeer aan de vrijheid van de columnist. Van mij mag hij prikkelen en zal hij zo nu en dan kwetsen. Een enkele keer zal hij, zoals in het onderhavige geval is bewezen, wel op de blaren moeten zitten. Dat is gebeurd en dat lijkt me voldoende'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster, en de Algemene Nederlandse Politiebond met haar, is van mening dat de column discriminerend en vooroordeelversterkend van inhoud is jegens vrouwelijke agenten. Zij hanteert daarbij de volgende definitie van discriminatie: maatschappelijk effectieve, beledigende behandeling van personen om gezien de situatie rationeel niet relevante redenen.
Namens de Algemene Nederlandse Politiebond heeft mevrouw Dijksman toegelicht dat er tenminste twee algemene vooroordelen tegen vrouwelijke agenten bestaan:
1. een vrouwelijke agente hoopt bij de politie een man te vinden;
2. vrouwelijke agenten zijn kenau's.
De column speelt met name in op het laatste vooroordeel. Dat is onder meer gebleken uit reacties, die de vrouwelijke agenten (slechts vijf in getal) in Rijswijk ontvingen. De politiebond probeert duidelijk te maken dat politiewerk geen mannenwerk of vrouwenwerk is maar mensenwerk.

Het schrijven van een ingezonden brief door klaagster is niet overwogen omdat dit niet de werkwijze van het Meldpunt is. Het Meldpunt wil discussies aangaan en niet sec een standpunt uitdragen. Een brief van de meldster zelf zou te persoonlijk geweest zijn. Het gaat om het aanpakken van het probleem in het algemeen. Klaagster meent dat betrokkene ten onrechte onder de dekmantel van wat satire moet heten een discussie over sociaal onaanvaardbaar gedrag uit de weg is gegaan. De tweede column, die met zeer veel goede wil als excuus zou kunnen worden gezien, laat de uitwerking van de eerste column onverlet.

Betrokkene is van oordeel dat de vrijheid van een columnist zeer ver gaat en dat een columnist 'mag prikkelen en zo nu en dan kwetsen' .
'Omdat ik meende, dat de betreffende column buiten de context van de persoonlijke ervaring van de heer Swart tot misverstanden zou kunnen leiden, heb ik hem gevraagd in een volgende column op het onderwerp terug te komen'.
'Naar mijn mening heeft Swart in zijn tweede column op geheel eigen wijze het boetekleed aangetrokken. Het voornaamste bezwaar van de klagers, de vooroordeelversterkende werking van de eerste column, is daarom volgens mij komen te vervallen'. Betrokkene blijft bij zijn oordeel dat in de tweede column op geslaagde wijze de mogelijke verkeerde effecten van de eerste column werden teruggedraaid. Overigens is de naam van de agente gefingeerd.
Betrokkene heeft er op gewezen dat ook volgens klaagster de tweede column kan worden opgevat als 'een excuus'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De vrijheid van een columnist wordt beperkt door het wettelijk verbod te discrimineren. Naar het oordeel van de Raad bevat de column onmiskenbaar tal van discriminerende uitlatingen ten opzichte van vrouwelijke agenten. De columnist heeft zich niet beperkt tot de beschrijving van het incident met een bepaalde vrouwelijke agent, maar heeft dat incident in een naar het oordeel van de Raad niet geslaagde poging tot badinerie of satire ten onrechte aangegrepen als aanleiding tot het schrijven van een column met een door de gehele groep van vrouwelijke agenten kwetsend en beledigend karakter.
De Raad is van oordeel dat de tweede column onvoldoende tegemoet komt aan de noodzaak om de vooroordeelversterkende werking van de eerste column teniet te doen.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk onaanvaardbaar heeft gehandeld door een column te publiceren waarin discriminerende uitlatingen voorkomen omtrent vrouwelijke agenten.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in de Haagsche Courant.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 november 1987 door Mr. R. de Waard, voorzitter, W. F. de Pagter, J. L. de Troye, T. M. Lücker en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 31.