1987/3 gegrond

F. A. Bos contra Leo Rijkens

Bij brief van 12 november 1986 met drie bijlagen en aanvullende brief van 18 november 1986 met vier bijlagen heeft de heer F. A. Bos te Duivendrecht in zijn kwaliteit van voorzitter van de Nederlandse Manisch-Depressieven en Depressieven Stichting i.o. (klager) een klacht ingediend tegen Leo Rijkens (betrokkene). Bij brief van 11 december 1986 heeft deze op de klacht gereageerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987. Partijen waren in persoon aanwezig. Zij gaven toestemming tot beslissing over de zaak door vier leden in plaats van vijf.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten. Op 18 oktober 1986 is in Utrecht een vergadering gehouden van (toekomstige) leden van de Nederlandse Manisch-Depressieven en Depressieven Stichting i.o. Klager is voorzitter van het voorlopige bestuur van de Stichting. De vergadering is bijgewoond door betrokkene. Op de achterpagina van NRC-Handelsblad van 23 oktober 1986 is onder de titel 'Van gesticht tot stichting' een stuk van betrokkene verschenen over bedoelde vergadering. In dit stuk worden onder meer de namen genoemd van een politicus, die een gift van f 250,- deed en van een farmaceutische fabriek, die subsidie heeft toegezegd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het belangrijkste bezwaar van klager richt zich tegen het feit dat betrokkene zich bij zijn aanmelding voor de vergadering niet bekend gemaakt heeft als journalist. Hij diende zich onder de naam Kees van der Meer aan als manisch-depressieve patient. Pas bij de vergadering zelf gaf klager zijn werkelijke naam, echter zonder te vermelden dat hij journalist was. Het ging om een besloten vergadering. Klager zou zeker geen toestemming gekregen hebben om deze als journalist bij te wonen. Tijdens de vergadering zelf is nog ter sprake geweest dat de aanwezigheid van journalisten ongewenst zou zijn. Dit houdt verband met het feit dat manisch-depressieve patienten angst hebben als zodanig naar buiten te treden.
Klager heeft naast het bovenstaande bezwaar tegen het feit dat betrokkene de privacy van een donateur heeft geschonden, door diens naam bekend te maken. Bezwarend acht klager het voorts dat door voortijdige publiciteit een verkeerd beeld kan ontstaan over de mogelijke subsidie van een geneesmiddelenfabrikant.
Wat klager betreft had de gehele zaak rechtgezet kunnen worden door behoorlijke excuses. Op zijn brief van 27 oktober 1986 aan de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad ontving hij echter geen antwoord.

Betrokkene erkent dat hij zich aanvankelijk als manisch-depressieve patiƫnt (hetgeen hij ook werkelijk is) heeft aangemeld onder de naam Kees van der Meer. Bij het betreden van de vergadering besloot hij alsnog zijn werkelijke naam te noemen, waarbij hij rekening hield met de mogelijkheid als journalist herkend te worden. Die hoedanigheid heeft hij echter bewust niet genoemd omdat hij verwachtte dan niet toegelaten te zullen worden. Het feit dat hij inderdaad manisch-depressief patient is achtte betrokkene voldoende rechtvaardiging voor het bijwonen van de vergadering. Hij had zich voorgenomen pas achteraf te beslissen of hij een publikatie aan de zaak zou wijden. Op grond van een en ander meent betrokkene dat hij niet onder valse vlag is binnengekomen.
Betrokkene meent ook achteraf niet dat hij onjuist heeft gehandeld omdat naar zijn mening het stuk zelf niet schadelijk geacht kan worden voor de op te richten stichting. In tegendeel meent betrokkene dat hij de stichting welkome publiciteit heeft gegeven door aan het eind van zijn stuk naam en adres van de voorzitter op te geven.
De badinerende toon van het stuk is gebruikelijk op de achterpagina. Die toon komt in dit stuk voort uit zelfspot over zijn manisch-depressieve klachten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad kan zich verplaatsen in de bezwaren tegen de aangevallen passages van de publikatie maar de Raad zal in het midden laten of in die passages de grenzen van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is zijn overschreden. Het zwaartepunt van de klacht ligt immers in de wijze waarop betrokkene de vergadering is binnengekomen. Zeer bijzondere omstandigheden daargelaten geldt naar het oordeel van de Raad dat een journalist zich als zodanig bekend moet maken wanneer hij in een situatie als de onderhavige het voornemen tot een publikatie heeft. Betrokkene had dit zeker moeten doen toen in de vergadering met zoveel woorden aan de orde werd gesteld dat de aanwezigheid van journalisten ongewenst was. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene onzorgvuldig gehandeld jegens de stichting in oprichting en haar leden door dit na te laten. De klacht is daarom gegrond.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager door te publiceren over een besloten vergadering na zich bij de aanmelding voor het bijwonen daarvan niet bekend gemaakt te hebben als journalist en na dit op een daartoe geeigend moment niet alsnog te doen tijdens de vergadering zelf. De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in NRCHandelsblad .

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987, door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. Van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. A. J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 3.