1987/29 gegrond

C. W. H. VAN LEUSDEN TEGEN F. G. F. VERMEULEN

In een ongedateerde brief met twee bijlagen, bij de Raad binnengekomen op 10 juni 1987 en een eveneens ongedateerde brief met één bijlage, bij de Raad binnengekomen op 12 juni 1987 heeft C. W. H. van Leusden te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de journalist Fred Vermeulen (betrokkene). Bij brief van 3 juli 1987 met drie bijlagen heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1987. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten. Klager is accountant te Amsterdam en houder van de certificaten van aandelen van het taxibedrijf J. F. van der Klis B.V.. Klager heeft die certificaten verkregen krachtens testamenten van de oorspronkelijke aandeelhouders. Over de betekenis van een bepaling uit het testament ten gunste van twee liefdadige instellingen zijn moeilijkheden gerezen tussen klager en die instellingen. Klager is onder meer als accountant en als schoonvader van de directeur van de werkmaatschappij, het eigenlijke taxibedrijf, bij de bedrijfsvoering betrokken. Het bedrijf is in financiele moeilijkheden geraakt, waarna surséance van betaling werd verleend.
Naar aanleiding van de verkoop van een aantal tot het taxibedrijf behorende taxivergunningen is een rapport opgemaakt door de Economische Controledienst. Dit rapport is uitgebracht aan de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dit heeft geleid tot een procedure bij de Ondernemingskamer bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Aan dit feitencomplex heeft betrokkene in Het Parool van 27 april 1987 en 16 mei 1987 twee artikelen gewijd onder de kop 'Het goede doel ten onder aan gesol met taxibedrijf' en als onderkop 'Zaakwaarnemer leurde met vergunningen' respectievelijk de kop 'Hoe nette erfgenaam 't taxibedrijf van opa ongestraft kaal plukte' met als onderkop 'Eigen interpretatie van het testament'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager vond op 24 april 1987 op initiatief van betrokkene een gesprek plaats teneinde klager in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren op de door betrokkene voor zijn voorgenomen artikel verzamelde informatie. Volgens klager is daarbij afgesproken dat het artikel voor publikatie met hem zou worden besproken. Betrokkene heeft zich aan die afspraak niet gehouden. Het artikel werd op maandag 27 april 1987 gepubliceerd zonder voorkennis van klager. Ook over het tweede artikel van 16 rnei 1987 werd klager niet tevoren ingelicht.
Het bezwaar van klager tegen de inhoud van de artikelen is dat hij daarin met naam, toenaam en functie wordt genoemd en dat tal van onterechte beschuldigingen en onjuistheden worden vermeld zonder dat daartegenover melding gemaakt wordt van de visie van klager. Klager heeft in zijn gesprek met betrokkene alle aantijgingen weersproken. Hij heeft betrokkene ook ter hand gesteld een exemplaar van het door hem in de procedure voor de Ondernemingskamer ingediende verweerschrift. Van de contra-argumenten van klager blijkt uit het artikel niets. Het eenzijdige beeld, dat in de artikelen wordt opgeroepen, leidt tot schade in de goede naam van klager en tot schade in zijn functie van accountant.
Betrokkene heeft ontkend dat de door klager gestelde afspraak is gemaakt. Volgens betrokkene is alleen afgesproken dat hij klager eventuele citaten zou voorleggen. Aangezien in de artikelen geen citaten voorkomen, was er geen reden de tekst van de artikelen vooraf nog met klager te bespreken .
Betrokkene heeft erop gewezen dat hij zijn artikel gebaseerd heeft op het rapport van de Economische Controledienst, het rapport van een uit het personeel gevormde commissie en gesprekken met vele betrokkenen, waaronder enige taxichauffeurs, de bewindvoerder, een notaris, de Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof Mr J. de Bruin, het Gemeentelijk Bureau afdeling taxizaken en anderen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft niet kunnen vaststellen of tussen partijen overeengekomen werd dat klager het (eerste) artikel van betrokkene voor publikatie voorgelegd zou krijgen. Over dit onderdeel van de klacht zal de Raad zich derhalve van een oordeel moeten onthouden.

Het tweede bezwaar van klager betreft de inhoud van het artikel. Klager wordt met naam en toenaam beschuldigd van ernstige laakbare handelingen. Naar het oordeel van de Raad mocht betrokkene van die beschuldigingen melding maken nu hij zich daarbij baseerde op gezaghebbende bronnen, die ook in het artikel worden genoemd. Betrokkene verbindt aan die beschuldigingen echter een persoonlijk oordeel zonder dat hij op enigerlei wijze de andere kant van de zaak laat zien. De Raad acht het aannemelijk dat klager in zijn gesprek met betrokkene de beschuldigingen heeft weersproken en dat hij betrokkene het genoemde verweerschrift ter hand heeft gesteld. Het artikel vermeldt hierover niets, terwijl door de presentatie van het wel gebruikte materiaal en met name ook door de koppen het wordt voorgesteld alsof het laakbaar handelen van klager vaststaat. De Raad meent dat betrokkene hierdoor, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk onaanvaardbaar jegens klager heeft gehandeld.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene maatschappelijk onaanvaardbaar heeft gehandeld jegens klager, door tegenover de in de artikelen jegens klager als vaststaande feiten gepresenteerde ernstige beschuldigingen geen weerwoord van klager op te nemen.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 24 september 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. G. Dullens, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 29.