1987/26 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Leden van de Koninklijke Marechaussee tegen Theodor Holman en de hoofdredacteur van Het Parool Bij klaagschrift van 6 juli 1987 met drie bijlagen heeft het lid van de Koninklijke Marechaussee Mr. R. Verboom mede namens tien andere leden van de Koninklijke Marechaussee (klagers) een klacht ingediend tegen Theodor Holman en de hoofdredacteur van Het Parool (betrokkenen). Bij brief van 21 augustus 1987 met één bijlage heeft W. Gortzak, hoofdredacteur van Het Parool op de klacht geantwoord.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 1987. Namens klagers is verschenen Mr. R. Verboom. Betrokkenen zijn niet verschenen.
DE FEITEN De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In Het Parool van 12 juni 1987 is onder de titel \\\\\\\"Matennaaiers\\\\\\\" de vaste column gepubliceerd van Theodor Holman. De column opent met de volgende zin. \\\\\\\"Waar doet mij zo\\\\\\\'n ma races die op homo\\\\\\\'s jaagt toch aan denken?\\\\\\\" De column geeft vervolgens een kennelijk als persiflage bedoelde beschrijving van de werving van leden van de Koninklijke Marechaussee voor een onderzoek naar de seksuele geaardheid van Amerikaanse militairen in Nederland. De column eindigt met de volgende alinea. \\\\\\\"Mensen lokken, op mensen jagen, seksuele handelingen, videobanden, verkleedpartijen... Het zou mij niets verbazen als die schoften die in Oude Pekela kinderen lokten, gezocht moeten worden in kringen met een Koninklijke Marechaussee-achtige mentaliteit\\\\\\\".
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klagers stellen voorop dat aan een columnist een zeer grote vrijheid toekomt bij de becommentariëring van nieuwsfeiten bijvoorbeeld door \\\\\\\"schromelijke of ludieke overdrijving\\\\\\\".
Klagers hebben daarnaast gesteld zich te realiseren \\\\\\\"dat een in de openbaarheid werkend instituut - en zeker een overheidsorgaan zoals in dit geval de Koninklijke Marechaussee - rekening dient te houden met, in zijn algemeenheid, gepubliceerd commentaar op haar handel en wandel\\\\\\\". Klagers hebben benadrukt \\\\\\\"dat zij geen overdreven gevoeligheid hebben ten opzichte van perspublikaties\\\\\\\".De klacht met betrekking tot de onderhavige column is \\\\\\\"dat de toonzetting van het gewraakte artikel dusdanig suggestief is en mede door de vermenging van feit en fictie, de perken van ludieke overdrijving in een zodanig ernstige mate te buiten gaat dat in dit concrete geval van een artikel met kwetsend en beledigend karakter moet worden gesproken\\\\\\\". In verband hiermee hebben klagers naar voren gebracht dat de nieuwsfeiten waarop de column kennelijk is gebaseerd, namelijk mogelijk laakbaar gedrag van Marechaussee-personeel jegens Amerikaanse homoseksuele militairen te Soesterberg ten tijde van de column niet vast stonden. In antwoord op Kamervragen heeft de Staatssecretaris van Defensie inmiddels overigens op 8/9/\\\\\\\'87 meegedeeld:\\\\\\\"...het onderzoek van de K.M.A.R. is niet gericht geweest op de vaststelling van de seksuele geaardheid van,...\\\\\\\"
Klagers achten de beschrijving van \\\\\\\"marechausseegedrag\\\\\\\" kwetsend en beledigend voor individuele leden van de Koninklijke Marechaussee waarbij hun klacht zich toespitst op de vergelijking, die wordt gemaakt in de slot-alinea. \\\\\\\"Het gaat alle, ruimgetrokken, perken van redelijkheid en fatsoen in ernstige mate te buiten om Marechaussee-personeel, hoe dan ook, in verband te brengen met de alom als zeer ernstig ervaren gebeurtenissen te Oude Pekela\\\\\\\".
Klagers hebben erop gewezen dat betrokkenen in hun verweerschrift met zoveel woorden hebben erkend dat de column grievend is voor de Koninklijke Marechaussee. Naar de mening van klagers doen betrokkenen daarbij ten onrechte een beroep \\\\\\\"op de afweging tussen het positief bejegenen van een ten onrechte gediscrimineerde minderheid enerzijds of het beschermen van de goede naam van een krijgsmacht-onderdeel anderzijds\\\\\\\".
Ter rechtvaardiging van de \\\\\\\"nadrukkelijk als grievend bedoelde\\\\\\\" column doen betrokkenen een beroep op de gelijke berechtiging van homoseksuelen, die zij voorstaan, en die nog lang niet is gerealiseerd met name niet in de krijgsmacht. De vraag of men een column als de onderhavige aanvaardbaar acht hangt volgens betrokkenen af van de afweging tussen:
\\\\\\\"Het overwinnen van de nog steeds bedreigde positie van een ten onrechte gediscrimineerde minderheid\\\\\\\". of \\\\\\\"het beschermen van de goede naam van een krijgsmacht-onderdeel\\\\\\\".
Het verweer van betrokkenen eindigt met de volgende alinea. \\\\\\\"Aangezien de hoofdredactie van Het Parool van oordeel is dat de positie van de K.M. in het hierboven geciteerde takenbesluit (takenbesluit van 6.2.\\\\\\\'54-RvdJ)zo goed is geregeld dat enige negatieve publiciteit deze nauwelijks schaadt, terwijl homo\\\\\\\'s dagelijks het gevaar lopen (mede door handelingen van leden van de K.M., alléén of in vereniging) soms ernstig gediscrimineerd te worden is het duidelijk dat zij Holmans bijdrage als column alleszins aanvaardbaar acht.\\\\\\\"
BEOORDELING VAN DE KLACHT Onder erkenning dat de columnist een speciale vrijheid toekomt legt de klacht het zwaartepunt bij het verband dat door Holman wordt gelegd tussen \\\\\\\"Op homo\\\\\\\'s jagen\\\\\\\" door leden van de Koninklijke Marechaussee en recente nieuwsberichten uit Oude Pekela over het meelokken van kinderen met als doel seksueel misbruik van die kinderen. Deze vergelijking houdt zoals het Parool toegeeft - een grievende beschuldiging in, die zich door het gebruik van de term \\\\\\\"Koninklijke Marechaussee-achtige mentaliteit\\\\\\\" richt tot de Marechaussee als geheel.
Het verweer van de tweede betrokkene dat beide gedragingen uitvloeisel zijn van een verwrongen houding jegens seksualiteit, zodat de vergelijking terecht gemaakt kon worden, gaat naar het oordeel van de Raad niet op. Zelfs bij wijze van satirische stijlfiguur maakt de column het beweerde verband tussen homo\\\\\\\'s jagen en kinderen lokken onvoldoende waar, voorzover dat verband in redelijkheid al te leggen valt. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen mogelijk laakbaar gedrag van individuele leden van de Marechaussee en de Marechaussee als geheel. Zeker nu deze generalisatie een ernstige en ongefundeerde beschuldiging inhoudt voor een groep als geheel, acht de Raad hem - gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van betrokkenen - zelfs in een column onaanvaardbaar.
Het beroep op de goede bedoelingen overtuigt niet. Het is met zichzelf in tegenspraak om discriminatie van mensen op grond van hun seksuele geaardheid te bestrijden met wat in wezen een ander soort discriminatie inhoudt, namelijk het beledigen van mensen op grond van het feit dat zij behoren tot een groep (in dit geval een legeronderdeel), zelfs als men meent dat sommige leden daarvan zich aan eerstgenoemde soort van discriminatie hebben schuldig gemaakt. Dit is een uiterste strijdmiddel waarvan het gebruik in dit geval niet te rechtvaardigen valt.
BESLISSING De Raad acht de klacht gegrond.
De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 24 september 1987 door Mr. M.J.P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. G. Dullens, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 26