1987/21 gegrond

LEIDSE STUDENTENBOND CONTRA MARE

Bij brief van 24 april 1987 met één bijlage heeft J. P. van der Sluijs namens het bestuur van de Leidse Studentenbond (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Mare (betrokkene). Bij brief van 8 mei 1987 heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 1987. Klager werd op die zitting vertegenwoordigd door de bestuursleden Greet Meesters en Jeroen van der Sluijs. Betrokkene is in persoon verschenen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten .
Op 26 maart 1987 is op het Binnenhof te Den Haag een studentendemonstratie gehouden tegen het nieuwe studiefinancieringsstelsel van minister Deetman. In de aflevering van Mare (Leids Universitair Weekblad) van 2 april 1987 is een foto van enige demonstranten afgedrukt met het volgende onderschrift.
'Onder het motto 'Deetman laat ons op een houtje bijten' demonstreerden donderdag 26 maart zo'n vierhonderd studenten tegen het nieuwe studiefinancieringsstelsel van minister Deetman. Dat gebeurde tijdens het overleg tussen minister en Tweede Kamer over de uitwerking van het stelsel op de inkomens van studenten en hun ouders. Er gingen stenen door de ruiten van de parlementsgebouwen en er werd een deur van het Kamergebouw ingetrapt. De demonstrerende studenten vermaakten zich onder gunstige weersomstandigheden verder voornamelijk met de populaire volkssport 'agentje pesten' (QvK)'.
Bij brief van 3 april 1987 heeft klaagster om rectificatie gevraagd .
'Ons is van genoemde vernielingen niets bekend. Navraag bij de ASVA (Algemene Studentenvereniging Amsterdam), die eerder ter plekke was, leverde geen bevestiging op van bovenstaande berichtgeving. Vervolgens hebben wij ons gewend tot de afdeling voorlichting van de Tweede Kamer die zelf geen schade had geconstateerd aan de parlementsgebouwen en ons doorverwees naar de gemeentepolitie Den Haag. Een voorlichter van de Haagse gemeentepolitie kon ons, na verslagen van de gebeurtenissen van die dag te hebben geraadpleegd, meedelen, dat van vernielingen die dag geen sprake is geweest. Er was naar zijn zeggen slechts sprake geweest van 'een incidentje in de Helle Poort' waarbij 'een deurtje' dat toegang geeft tot een binnenplaats 'ingedrukt' is'.
De volledige tekst van de brief is als ingezonden stuk afgedrukt in de aflevering van Mare van 9 april 1987 met het volgende naschrift van betrokkene.
'Naschrift QvK: Akkoord. 'Ingetrapt'is 'ingedrukt'. Maar ruiten zijn helaas ook gesneuveld. Alle kijkers naar het NOS-journaal op de bewuste dag zijn daarvan medegetuige geweest. Wellicht wil de LSB voor 'er gingen stenen door de ruiten' lezen: 'glaswerk bleek niet bestand tegen aanleunende projectielen'. Ook dat mag. Er valt echter niets te rectificeren. Wat voorgevallen is, is beschreven' .

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens de naar aanleiding van het naschrift van betrokkene bij de hoofdredacteur van het NOS-JOURNAAL ingewonnen informatie zijn er op 26 maart 1987 geen beeldopnamen gemaakt op het Binnenhof. De in het journaal van die avond uitgezonden beelden waren archiefopnamen van eerdere studentendemonstraties. De hierbij uitgesproken tekst luidde als volgt.
'Demonstraties, heel felle, waren er al eerder'. (Kort beeld demonstratie). 'Vandaag ook studenten op de been in Den Haag . . .'
Mede op grond van deze informatie blijft klager bij haar mening dat het foto-onderschrift van betrokkene feitelijk onjuist is, zodat de door deze aangevoerde grond tot weigering van rectificatie ondeugdelijk is. Klaagster meent dat zij belang heeft bij rechtzetting omdat zij door het onjuiste onderschrift in diskrediet wordt gebracht, dit ten nadele van het doel van de Leidse Studentenbond namelijk de behartiging van de belangen van studenten aan de rijksuniversiteit te Leiden.

Betrokkene handhaaft zijn mening dat er geen reden was te voldoen aan het verzoek tot rectificatie volgens de brief van klager van 3 april 1987. Naar aanleiding van die brief heeft hij zich opnieuw verstaan met de medewerker van Mare, die ter plaatse was, alsmede met de voorlichter van de Tweede Kamer. Beiden hebben hem bevestigd dat er stenen door ruiten gegooid waren. Pas in de onderhavige klachtzaak kwam aan het licht dat de beelden uit het NOS-journaal archiefbeelden geweest zijn. Vanwege het tijdsverloop heeft hij ervan afgezien hiervan melding te maken in Mare.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De bezwaren van klager richten zich tegen de mededeling dat er bij de demonstratie van 26 maart 1987 stenen door ruiten op het Binnenhof zijn gegooid en de weigering van betrokkene dit feit te rectificeren. Beide partijen hebben zich tegenover de Raad voor hun lezing van de feiten beroepen op een aantal met name genoemde bronnen met tegenstrijdige informatie.
In het door klager aangevallen naschrift beroept betrokkene zich echter uitsluitend op beelden uit het NOS-journaal van 26 maart 1987. Dit waren archiefbeelden die niet alleen omtrent het omstreden stenengooien geen bewijs konden leveren, maar door hun rellerige inhoud klager eerst recht in diskrediet brachten. De Raad wil in het midden laten of betrokkene er niet beter aan had gedaan in zijn naschrift ook zijn andere bronnen te noemen op grond waarvan hij volgens de Raad terecht tot niet rectificeren van het foto-onderschrift mocht besluiten. Naar het oordeel van de Raad had betrokkene echter wel in Mare moeten melden dat hij ten onrechte het NOS-journaal als 'bewijs' had aangevoerd zodra hij van deze onjuistheid op de hoogte was geraakt.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, in de omstandigheden van dit geval onaanvaardbaar heeft gehandeld jegens klager door niet uit eigen beweging melding te maken van de achteraf gebleken ondeugdelijkheid van de enige publiekelijk door hem gebruikte bron.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Mare te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 juni 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, D. F. Houwaart, Mr. G. Dullens, Mr. A. J. Heerma van Voss en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 21.