1987/19 gegrond

FOKKO LEUTSCHER CONTRA IJSSELEN LEKSTREEK

Bij brief van 12 april 1987 met vier bijlagen heeft Fokko Leutscher te Capelle a/d IJssel (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van IJssel- en Lekstreek (betrokkene). Op 14 juni 1987 met bijbehorend Memo van 1 mei 1987 heeft deze op de klacht gereageerd. De Raad heeft zonder mondelinge behandeling op grond van de stukken over de zaak besluit op 30 juni 1987.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In de aflevering van IJssel- en Lekstreek van 6 februari 1987 is onder de kop 'Rietkerk-medailles' een ingezonden brief geplaatst van klager als oud-hoofd voorlichting /PR van de gemeente Capelle a/d IJssel. In die brief levert klager commentaar op de uitreiking van de 'Rietkerk-medailles' aan een aantal Zuidmolukkers te Capelle a/d IJssel door burgemeester Van Leeuwen. Volgens de brief zou de burgemeester destijds geweigerd hebben de Zuidmolukse woonwijk van Capelle a/d IJssel te bezoeken.
De ingezonden brief is voorzien van een naschrift van de journaliste Anneke Hol-Bijpost. Na de vraag 'Klappen uit de school met kinnesinne, is dat smaakvol?' constateert zij op grond van een met de burgemeester gevoerd gesprek dat deze door klager ten onrechte beschuldigd is van discriminatie. 'Daar doen alleen uiterst domme mensen aan. En dom is Van Leeuwen beslist niet!'
In de aflevering van IJssel- en Lekstreek van 4 maart 1987 is onder de kop 'vrije meningsuiting' een ingezonden brief opgenomen van het raadslid Gé J. M. Derksen waarin deze bezwaar maakt tegen het 'moraliserend(e) naschrift' onder de brief van klager in IJssel- en Lekstreek van 6 februari 1987.
Deze brief is voorzien van een naschrift van de redactie en een afzonderlijk naschrift van betrokkene. In dit naschrift maakt betrokkene gewag van een brief van klager van 25 februari 1987 'waarin dit voormalige hoofd Voorlichting en Public Relations van de gemeente Capelle ons meende te moeten aanspreken op gevoelens van 'goede en ethische journalistiek gespeendehandelwijze', zoals hij die ziet t.a.v. een geleverd commentaartje, en ons daarvan distantieren. De heer Leutscher, die twaalf jaar na dato een boekje open meent te moeten doen over hetgeen hij zich, in zijn toenmalige hoedanigheid weet te herinneren, gaat naar onze smaak echter buiten zijn ambtelijke boekje van destijds'.
Een ingezonden brief van klager van 7 februari 1987 werd niet geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIIEN

De bezwaren van klager zijn de volgende.
1. Het is in strijd met 'journalistiek fatsoen als een journalist/redacteur een schrijver van een ingezonden brief in een begeleidend commentaar moraliserend bejegent'.
2. Betrokkene heeft onzorgvuldig gehandeld door de persoonlijk aan hem gerichte brief in het openbaar te beantwoorden.
Betrokkene heeft in zijn verweer volstaan met te verwijzen naar het aangevallen naschrift van zijn hand .

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klagers bezwaar dat ingezonden brieven werden voorzien van naschriften acht de Raad ongegrond. Naar het oordeel van de Raad staat het een redactie in beginsel vrij naschriften te plaatsen. Het enkele feit dat deze als moraliserend kunnen worden beschouwd doet hieraan niet af. Klagers bezwaar dat zijn persoonlijke brief aan betrokkene door deze behandeld is als een openbaar stuk acht de Raad wel gegrond. Betrokkene had kunnen en moeten begrijpen dat de brief van 25 februari 1987 niet bedoeld was als een ingezonden stuk. Hij had de inhoud daarom niet zonder toestemming en medeweten van klager openbaar mogen maken. In dit opzicht acht de Raad de klacht gegrond.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager door uit een persoonlijke brief te citeren en deze in het openbaar te beantwoorden.
De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvattingte publiceren in Ijsel- en Lekstreek.
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 juni 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, D. F. Houwaart, Mr. G. Dullens, Mr. A. J. Heerma van Voss en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 19