1987/18 deels gegrond

HOOGLERAREN VISSER EN GALJAARD CONTRA SPANJER EN DE HOOFD

REDACTEURVAN NRC-HANDELSBLAD

Bij brief van 26 februari 1987 met vier bijlagen hebben prof.dr. H. Galjaard en prof.dr. H. K. A. Visser, beiden hoogleraar aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, (klagers) een klacht ingediend tegen Marjanke Spanjer en de hoofdredacteur van NRCHandelsblad (betrokkenen). Bij brieven van 28 april 1987 hebben dezen zich tegen de klacht verweerd .
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 mei 1987. Alle partijen waren in persoon aanwezlg.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In verband met de noodzaak tot bezuiniging koesterde minister Deetman in oktober 1986 het voornemen de vakgroep Kindergeneeskunde van de medische faculteit te Leiden op te heffen. Bij het tot stand komen van dat voornemen hebben onder meer een rol gespeeld een advies van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (RAWB) over prioriteiten in het gezondheidsonderzoek uit 1983 en een daarop geent advies van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) uit december 1985. Klager Visser was voorzitter van de Subcommissie Disciplineplan Geneeskunde van de Commissie Geneeskunde van de KNAW. De KNAW had de uitwerking van het door de Minister gevraagde advies overgedragen aan de Commissie Geneeskunde, die ter voorbereiding daarvan de genoemde subcommissie instelde. Klager Galjaard was als door de Kroon benoemd lid betrokken bij het advies van de RAWB. Beide klagers zijn hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Visser in de Kindergeneeskunde en Galjaard in Celbiologie en Genetica.
Het voornemen van de Minister en de gang van zaken rond de totstandkoming daarvan zijn onderwerp van een artikel van betrokkene Spanjer in NRC-Handelsblad van 13 oktober 1986 onder de kop 'Klassieke vadermoord op 'Leiden': dat kàn niet' met daarboven in kleinere letters 'Vakgroep kindergeneeskunde na behendige lobby-strategie geamputeerd'.
Het artikel bevat een aantal citaten van de volgende personen: prof.dr. M. J. de Vries, hoogleraar Algemene Ziekteleer Erasmus Universiteit; prof.dr. L. J. Dooren hoogleraar Kindergeneeskundé Leiden; mr. dr. J. H. Peters, directeurAkademisch Ziekenhuis Leiden; prof.dr. J. Rohmer, kindercardioloog Leiden; prof.dr. J. C. van Es, hoofdredacteur Medisch Contact. Daarnaast bevat het artikel een aantal anonieme citaten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van oordeel dat het artikel feitelijke onjuistheden en suggesties bevat waardoor zij geschaad zijn in hun goede naam dat ten onrechte onvoldoende verificatie van feiten heeft plaatsgevonden en dat ten onrechte geen wederhoor bij klagers zelf werd toegepast. De suggestie die van het artikel uitgaat is dat klagers misbruik zouden hebben gemaakt van hun positie als adviseur door de Minister te bewegen tot een beleidsvoornemen waardoor voordeel behaald werd voor de medische faculteit van de Erasmus Universiteit en derhalve indirect voor klagers zelf, althans waardoor nadeel werd voorkomen, aldus vat de Raad de klacht op dit punt samen.
Klagers hebben hun klacht toegelicht door een aantal passage uit het artikel van commentaar te voorzien. Bekortend neemt de Raad hieruit het volgende over.

Citaat van prof.dr. M. J. de Vrie over klager Visser als voorzitte van de subcommissie: 'Het ernstigste feit is dat de man die het wat de kwaliteitsbeoordeling van Kindergeneeskunde betreft, binnen de Akademie van Wetenschappen voor het zeggen had zelf belang had bij wat hij schreef'.
Commentaar klagers: het advies van de KNAW is anders dan wordt gesuggereerd niet gevraagd met het oog op de bezuinigingen, maar lang daarvoor, namelijk in 1984. Het ging bovendien niet om een door klager Visser persoonlijk geschreven advies. Voor de eindredactie was de gehele subcommissie, waarin alle medische faculteiten (ook Leiden) vertegenwoordigd waren verantwoordelijk. Het is vervolgens besproken door de voltallige Commissie Geneeskunde van de KNAW.

Suggestief en niet onderbouwd achten klagers de volgende passages uit het artikel. 'Het verhaal gaat dat tot vlak voor het weekeinde waarin de definitieve beslissing viel, de relatief jonge Rotterdamse medische faculteit in de 'krimp- en groei'-operatie het loodje zou moeten leggen. Er bestaan sterke aanwijzingen dat topberaad tussen Minister, ambtenaren en persoonlijk adviseur prof.dr. H. Galjaard (hoorleraar en hoofd van de afdelingen celbiologie en genetica van de Erasmus universiteit) heeft geleid tot de voor Leiden dodelijke passage uit de 'Conceptbeleidsvoornemens groei en krimp universiteiten en academische ziekenhuizen 1987-1991 . . .'
'Porf.dr. H. K. A. Visser, hoogleraar Kindergeneeskunde en tevens dekaan van de medische faculteit is een zeer machtige man, zoals ingewijden met ontzag melden'.
''De tekst (van het KNAW-advies, RvdJ) is onmiskenbaar toegeschreven naar behoud van de kinderziekenhuizen in Rotterdam en Utrecht', valt uit de gelederen van de Nederlandse vereniging voor kindergeneeskunde te beluisteren'.

Ten onrechte wordt met aanduidingen als 'Het verhaal gaat . . .', 'Er bestaan sterke aanwijzingen...' en 'ingewijden' in het midden gelaten wie de zegslieden zijn.
Onjuist is de mededeling uit het artikel als zou klager Galjaard naast klager Visser tevens coauteur van het hoofdstuk Verloskunde en Gynaecologie van het advies zijn. Klager Galjaard heeft dat hoofdstuk niet zelf opgesteld maar draagt daarvoor evenals de andere leden van de sub-commissie medeverantwoordelijkheid .
Een onjuiste voorstelling van zaken wordt ook gegeven door het overnemen van de suggestie van prof.dr. M. J. de Vries dat het RAWB-rapport uit 1983 over het gezondheidsonderzoek tot stand zou zijn gekomen op grond van de mening van alleen klager Galjaard. Aan het tot stand komen van dat rapport ging twee jaar werk vooraf. Klager Galjaard werd pas in het laatste stadium van deze procedure als lid benoemd en bij dit werk betrokken.

In het laatste deel van het artikel wordt melding gemaakt van een jaarverslag van de Stichting klinische genetica regio Rotterdam, 'waarin de binnen en buiten de grenzen vermaarde, bij de media en het Koninklijk Huis geliefde prof.dr. H. Galjaard, een grote rol speelt', van contacten van klager Galjaard met Libelle, Margriet, Viva, Koos Postema en Henk Mochel, die 'de klinische genetica goedgedaan' hebben, en van een door klager Galjaard aan alle Nederlandse gynaecologen geschreven brief 'dat men voor prenataal onderzoek alle patienten uitsluitend nog naar Rotterdam diende te sturen'.
Klagers menen dat deze feiten niets te maken hebben met het onderwerp van het artikel, namelijk het bezuinigingsbesluit van de Minister en de adviezen van de KNAW en de RAWB. Klager Galjaard ontkent dat bedoelde brief door hem is geschreven.
Te vermelden dat in de kring van de Vereniging voor Verloskunde en Obstetrie met het oog op klagers gesproken wordt van de Rotterdamse 'boevenbende', ook al staat dit laatste woord in het artikel tussen aanhalingstekens, achten klagers beledigend.

Betrokkenen hebben zich tegen de klacht, samengevat, verweerd als volgt.
Het artikel betreft een onderwerp dat de universitaire wereld zeer in beroering heeft gebracht. Informatie werd ingewonnen bij op één na alle academische medische centre. De visie van alle zegslieden kwam overeen, maar slechts een enkeling wilde met name genoemd worden.

Betrokkene Spanjer acht zich niet vrij haar bronnen alsnog te noemen, zodat zij niet kan aantonen dat over klagers algemeen geoordeeld werd als in het artikel is weergegeven. Dat klager Galjaard de eerder genoemde brief aan alle Nederlandse gynaecologen heeft geschreven is haar door drie anonieme zegslieden meegedeeld; de brief zelf heeft zij niet gezien. Zij meent dat de door haar gesignaleerde onvriendelijke verhoudingen in de medische wereld zelf evenzeer nieuwsfeit waren als het bezuinigingsvoornemen, dat de aanzet gaf tot het artikel. Zij heeft beseft dat de inhoud voor klagers niet aangenaam zou zijn, maar bestrijdt dat zij onnodig grievend is geweest. Zij erkent dat er enkele feitelijke onjuistheden in het artikel voorkomen. Hiervoor heeft zij in een gesprek met klagers haar excuses aangeboden.
V66r het verschijnen van het artikel heeft zij klagers daarvan in kennis gesteld. De bedoeling was klagers in de gelegenheid te stellen zonodig te reageren. Die reactie is uitgebleven. Wel zijn in NRC-Handelsblad van 14 oktober reacties geplaatst van de voorzitter van de KNAW en de voorzitter van de RAWB. Ook is enige dagen later een telex van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit gepubliceerd. Tenslotte is op 21 oktober 1987 nog een artikel geplaatst van prof.dr. M. J. de Vries. Aldus is de andere kant van de zaak eveneens ruimschoots belicht.

Betrokkene Spanjer meent dat zij de feiten, die haar meegedeeld werden door zegslieden van het kaliber als professor De Vries, niet behoefde te verifieren. Zij meent dat zij op dergelijke bronnen mocht afgaan.
Het verweer van betrokkene Spanjer wordt onderschreven door haar hoofdredacteur.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt aan de orde gesteld hoe binnen de Nederlandse medische academische wereld de verstrengeling van belangen kan leiden tot misbruik van posities. Dit onderwerp is ontegenzeggelijk van groot maatschappelijk belang. Het behoort stellig tot de taak van de pers misstanden op dit niveau in de maatschappij te signaleren. Betrokkene Spanjer heeh dit gedaan door onder andere verslag te doen van gesprekken met een groot aantal informanten. Daarnaast lijkt zij de negatieve opinie van deze informanten over klagers voor haar eigen rekening te nemen.
Te beantwoorden staat de vraag of betrokkene Spanjer daarbij de vereiste zorgvuldigheid jegens klagers in acht heeft genomen.
De Raad houdt rekening met de omstandigheid dat het om een ondoorzichtige materie ging, waarbij grote belangen op het spel stonden en waarbij vele betrokkenen ook emotioneel sterk betrokken waren. Het is daarom begrijpelijk, dat de schrijfster een groot deel van haar informatie alleen onder geheimhoudingsplicht kon verkrijgen.
De wijze waarop de informatie werd verkregen behoefde naar het oordeel van de Raad geen beletsel te vormen voor openbaarmaking daarvan; wel dienen hoge eisen gesteld te worden aan de controle van de juistheid van in ieder geval de feitelijke elementen daarin.
Een journalist die in zo'n geval door een klager van het doorgeven van onjuiste informatie wordt beticht en die zich tegenover de Raad op een geheimhoudingsplicht tegenover bronnen die anoniem wensen te blijven beroept, (behoeft die bronnen niet te noemen maar) dient dan aan de Raad wel aannemelijk te maken dat hij de van die bronnen verkregen informatie zo veel mogelijk elders geverifieerd heeft. Betrokkene Spanjer heeft tegenover de Raad echter niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat zij de van haar anonieme bronnen verkregen informatie op enigerlei wijze - anders dan bij weer andere anonieme bronnen - geverifieerd heeft.
Indien verificatie langs andere weg niet mogelijk was had betrokkene klagers v66r publikatie gelegenheid tot commentaar moeten geven of althans in de gelegenheid moeten stellen de strikt feitelijke elementen daarin te corrigeren.
De Raad is van oordeel dat betrokkenen op dit punt te kort zijn geschoten, hetgeen ertoe geleid heeft dat feitelijke onjuistheden in het artikel zijn geslopen die een niet onbelangrijke bijdrage hebben geleverd aan de gewraakte suggesties. Wel kan worden vastgesteld dat betrokkenen na publikatie van het artikel in zeer ruime mate op andere wijze gelegenheid tot weerwoord hebben gegeven, namelijk door de publikatie van als rechtzetting bedoelde ingezonden stukken op de opiniepagina van NRCHandelsblad van 14 oktober 1986 van de voorzitter van de RAWB en de voorzitter van de KNAW, door de publikatie van de tekst van een ter correctie ingezonden telex van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit van Rotterdam in NRC Handelsblad van enige dagen later en door publikatie van een excuserend ingezonden stuk van Prof.dr. M. J. de Vries op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 21 oktober 1986.

Voorzover de klacht inhoudt dat betrokkene Spanjer zich (onnodig) grievend heeft uitgelaten, acht de Raad dit onderdeel van de klacht ongegrond. Dat bepaalde citaten een grievend karakter hebben kan betrokkene niet worden verweten. Weergave ervan was, naar het oordeel van de Raad, functioneel nu het artikel beoogde een beschrijving te geven van de sfeer in de medische wereld rond de besluitvorming aangaande de vakgroep Kindergeneeskunde in Leiden en van de effecten op de universitaire verhoudingen van de ministeriele bezuinigingsmaatregelen. Dat buiten genoemde citaten het artikel in grievende termen is vervat, is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen de publikatie voorzover suggesties inhoudende over machtsmisbruik door klagers niet hadden mogen doen, nu zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de uit niet genoemde bronnen afkomstige informatie zoveel mogelijk hebben geverifieerd bij wel kenbare bronnen en zij evenmin klagers v6ór publikatie gelegenheid hebben gegeven tot commentaar en eventuele correctie van feitelijke elementen. In zoverre acht de Raad de klacht gegrond. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad te publiceren
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 mei 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J Boukema, W. F. de Pagter, Drs. H. W. M. van Run en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M Karstens, secrataris.

RvdJ 1987, 18