1987/16 ongegrond

Mr. A. J. L. de Kort contra NOS en het radio programma NOS-Ombudsman

Bij brief van 4 juli 1986 met één bijlage heeft mr. A. J. L. de Kort te Kaatsheuvel (klager) een klacht ingediend tegen het bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting en de eindredacteur van het radio programma NOS-Ombudsman (betrokkenen). Bij brief van 27 augustus 1986 hebben betrokkenen zich tegen deze klacht verweerd. Hierop zijn de volgende brieven gevolgd: brief klager 10 september 1986, brief betrokkenen van 23 oktober 1986 met vijf bijlagen, brief klager van 26 februari 1987 met zes bijlagen, brief betrokkenen van 1 mei 1987 met één bijlage. De raad heeft over de zaak beslist zonder mondelinge behandeling op grond van de stukken op 13 mei 1987.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
De Nederlandse Omroep Stichting verzorgt in nauwe samenwerking met de Stichting De Ombudsman een radio programma, dat tot doel heeft voorlichting van de consument terzake van overeenkomsten op alle terreinen van het maatschappelijk verkeer. Het onderwerp van de uitzending van 3 april 1985 was de rechtshulp in Nederland. In dat programma is aan het woord gelaten H. de Klerk te Boskoop, een vroegere client van klager. Besproken werd dat klager voor De Klerk een schadevergoeding had gemcasseerd van f 170.000,-, dat klager dit bedrag onder zich hield, er latere declaraties van af trok en tenslotte niet in staat bleek tot uitbetaling over te gaan. Behalve genoemde De Klerk, is in het programma ondermeer aan het woord geweest mr. P. Ruyzendaal, medewerker van de Stichting De Ombudsman, bij wie de zaak van De Klerk destijds was binnengekomen. Aan het slot van de uitzending is melding gemaakt van een juist gevoerd telefoongesprek met de advocaatvan klager en diens weigering live in de uitzending te komen.

Ondermeer naar aanleiding van een wijziging in de tuchtrechtspraak voor advocaten, het inmiddels uitgesproken faillissement van klager en zijn schorsing als advocaat is in de uitzending van 4 februari 1986 opnieuw aandacht besteed aan de zaak van De Klerk. Ook in die uitzending is wel het woord gevoerd door De Klerk en mr. Ruyzendaal maar niet door klager.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klager zijn de volgende.
1. De uitzending was beledigend van karakter en omvatte feitelijke onjuistheden.
2. De feitelijkheden zijn onvoldoende onderzocht.
3. Ten onrechte is geen wederhoor toegepast.
Bij de onjuiste feiten gaat het in hoofdzaak om de kwestie van de afdracht van het bedrag van f 170.000,- en de mededeling dat klager vaak te hoog gedeclareerd zou hebben. Dit laatste wordt door klager betwist, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Den Haag van 26 februari 1985 inzake de door H. de Klerk tegen hem ingediende klacht. Die uitspraak maakt geen gewag van te hoog declareren.
Wat betreft het feit dat het bedrag van f 170.000,- niet werd afgedragen stelt klager dat deze gang van zaken berustte op een door hem met De Klerk gesloten overeenkomst krachtens welke aan De Klerk rente verschuldigd werd. Ook het in mindering brengen van latere declaraties zou volgens klager geschied zijn in overleg met De Klerk. Klager heeft betwist dat hij voor de eerste uitzending door betrokkenen benaderd is. Hij zou pas achteraf van de uitzending gehoord hebben.

Betrokkenen hebben zich tegen de klacht verweerd door te verwijzen naar een uitvoerig onderzoek van de Stichting De Ombudsman, dat aan de radio-uitzending vooraf ging. Dat onderzoek is op gang gekomen nadat de heer De Klerk zich tot de stichting had gewend.
Uit het onderzoek is gebleken van bezwaren van verschillende clienten over te hoge declaraties. De lezing van De Klerk over de ongewenste inhouding van het bedrag van f 170.000,- en het daarop in mindering brengen van latere declaraties wordt bevestigd in de uitspraak van de Raad van Toezicht van 26 februari 1985, die op 11 maart van dat jaar is verzonden. Bij de behandeling van de klacht was een medewerkster van de Stichting De Ombudsman aanwezig.
Betrokkenen handhaven dat ook vbbr de eerste uitzending aan klager verzocht is daaraan mee te werken, hetgeen tenslotte leidde tot een verwijzing naar zijn advocaat. Ook voor de tweede uitzending in februari 1986 werd klager uitgenodigd. Hoewel hij die uitnodiging aanvaardde zag hij uiteindelijk toch van medewerking af.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad staat op grond van de overgelegde stukken, waaronder de uitspraak van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten te Den Haag van 26 februari 1985 vast dat de klager zich schuldig heeft gemaakt aan het onterecht inhouden van een voor zijn cliënt De Klerk bestemd bedrag van f 170.000,-, alsmede dat hij uiteindelijk niet in staat bleek dit bedrag af te dragen. De Raad is van oordeel dat betrokkenen zich over deze zaak uitvoerig hebben gemformeerd en gedocumenteerd alvorens zij bedoelde De Klerk in de uitzending aan het woord lieten. De negatieve mededelingen van De Klerk over klager in de radio-uitzending waren juist en niet nodeloos grievend. Dit laatste geldt ook voor de mededeling dat klager regelmatig te hoog zou declareren. Het feit dat de uitspraak van de Raad van Toezicht te Den Haag van 27 februari 1985 hiervan geen gewag maakt, vloeit voort uit de omstandigheid dat dit niet het onderwerp van de in die beslissing behandelde klacht was en sluit derhalve niet uit dat het onderzoek van de Stichting De Ombudsman dergelijke bezwaren wel aan het licht had gebracht. De Raad acht dit aannemelijk nu klager dit niet heeft tegengesproken .

Daargelaten de vraag of gezien de uitvoerige documentatie over de zaak een persoonlijk weerwoord van klager in de uitzending geboden was, heeft klager niet weersproken dat hij in ieder geval voor de tweede uitzending een uitnodiging heeh ontvangen en dat hij daarvan na aanvankelijke acceptatie geen gebruik heeft gemaakt.

De Raad is derhalve van oordeel dat de bezwaren van klager ongegrond zijn en dat van onzorgvuldigheid van betrokkenen jegens klager geen sprake is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkenen om deze uitspraak in zijn geheel of in samenvatting bekend te maken in één van haar uitzendingen.
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 mei 1987 door Mr. R. de Waard, voorzitter, J. de Vries, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 16