1987/15 ongegrond

M. J. Dörr contra Rob Kamerling en Jan van Helvoort

Bij brief van 23 januari 1987 met één bijlage heeft mr. B. A. M. Cordemeijer te Haarlem namens M. J. Dorr aldaar (klager) een klacht ingediend tegen Rob Kamerling en Jan van Helvoort (betrokkenen). Bij brief van 16 april 1987 heeft J. L. van den Bossche, adjunct-hoofdredacteur van Elseviers Weekblad, een schriftelijke reactie namens betrokkenen ingezonden. Na verdere correspondentie over de zaak is deze behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 1987. Klager en zijn raadsman waren in persoon aanwezig. Namens betrokkenen is verschenen J. L. van den Bossche. In overleg met partijen heeft de Raad over de zaak beslist in een samenstelling van vier leden.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In Elseviers Weekblad van 3 mei 1986 is onder de tussen aanhalingstekens geplaatste kop 'Zelfs tijdens de gijzeling ging hij ijskoud door' en daaronder in kleinere letters 'Huisman haalde geld uit andermans ellende. Een vlotte babbel, kennis van zaken, vertrouwenwekkend. Hii troggelde mensen geld af en stak het in eigen zak. Miljoenen zijn zo verdwenen. Achttien maanden werd hij gegijzeld maar hij liet weinig los. Het verhaal van een onverbeterlijke rasoplichter'. Een artikel verschenen over het faillissement van een zekere Huisman, over dat van zijn vennootschap Finance Service B.V., over de langdurige gijzeling van Huisman wegens gebrek aan medewerking bij de afhandeling van die faillissementen en over een tegen deze Huisman ingestelde strafvervolging. In het artikel komen aan het woord de met name genoemde over Huisman aangestelde curator en de eveneens met name genoemde in diens faillissement aangestelde rechter-commissaris. Beiden laten zich negatief uit over bedoelde Huisman onder het gebruik van termen als 'fraudeur' en 'rasoplichter' .
Aan het slot van het artikel is de volgende mededeling afgedrukt. 'De namen van de hoofdrolspeler en diens medewerkers zijn gefingeerd' .

DE STANDPUNTEN VAN PARTIIEN

De bezwaren van klager zijn dat hij ondanks het gebruik van een schuilnaam door iedereen te herkennen is omdat de gijzelingszaak al veel publiciteit had gekregen, en dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld commentaar te leveren op de uitspraken van de curator en de rechtercommissaris. Klager meent dat betrokkenen gezien het zeer negatieve karakter van die uitlatingen wederhoor hadden behoren toe te passen. De publikatie bevat feitelijke onjuistheden en is naar het oordeel van klager in 'onnodig grievende, insinuerende en kwaadaardige vor' geschreven.

Volgens betrokkenen ging het in het artikel niet zo zeer 'om de fraudeur in kwestie, doch veeleer om de gijzeling als rechtsmiddel'. Om die reden werd gebruik gemaakt van een schuilnaam. In die opzet paste het niet klager om commentaar te vragen.
Betrokkenen menen dat herkenning hierdoor uitgesloten werd, behalve voor ingewijden of anderen die de zaak reeds kenden. Betrokkenen hebben in dit verband opgemerkt dat klager zelf in een televisie-uitzending is verschenen. Zij bestrijden dat het artikel in onnodig grievende vorm is geschreven. Het artikel bestaat voor een groot deel uit letterlijke citaten van hetgeen door de curator en de rechtercommissaris werd meegedeeld. Dezen hebben hun fiat aan het artikel gegeven voordat het werd gepubliceerd. Na de publikatie heeft klager telefonisch contact gehad met adjunct-hoofdredacteur Van den Bossche. Deze heeft toen aan klager voorgesteld een ingezonden brief te schrijven. Hierop heeft klager nimmer gereageerd .

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat het gebruik van de schuilnaam voldoende waarborg was om herkenning door niet-ingewijden te voorkomen. Hieraan doet niet af dat de vennootschap van klager en fle in de zaak betrokken curator en rechter-commissaris wel met name werden genoemd. Ook dit maakte klager naar de mening van de Raad alleen herkenbaar voor ingewijden.

De Raad meent dat betrokkenen de mededelingen van de rechtercommissaris en de curator mochten opnemen in het artikel en dat de inhoud van die informatie niet zodanig van aard was dat, gezien de beperkte herkenbaarheid van klager, het toepassen van wederhoor geboden was. De Raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat betrokkenen niet onzorgvuldig jegens klager hebben gehandeld, waarbij de Raad overweegt dat klager het publiceren van een ingezonden brief is voorgesteld, van welk aanbod klager geen gebruik heeft gemaakt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in Elseviers Weekblad .
Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 mei 1987 door Mr. R. de Waard, voorzitter, J. de Vries, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 11