1987/1 gegrond

Swieber contra De Jonge

Bij brief van 10 november 1986 met drie bijlagen en aanvullende brief van 18 november 1986 heeft de Stichting huis voor thuis en daklozen te Groningen (klaagster) een klacht ingediend tegen Ben de Jonge (betrokkene). Bij brief van 11 december 1986 heeft deze op de klacht geantwoord. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987. Klaagster was voor die zitting verhinderd. Betrokkene is in persoon verschenen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Betrokkene heeft in 1984 een vraaggesprek gehad met medewerkers van klaagster in verband met een in het tijdschrift Zipitaja te publiceren serie artikelen over zwerven en zwervers in Nederland. Dat tijdschrift is een uitgave van de School voor de Journalistiek te Utrecht waar betrokkene toen nog leerling was.
In de Telegraaf van 11 oktober 1986 is over hetzelfde onderwerp een stuk gepubliceerd van de hand van betrokkene. Het laatste gedeelte van dit stuk gaat over de situatie op dit punt in de stad Groningen. De beheerder Alle Boon van het tehuis van klaagster in Groningen wordt een aantal malen geciteerd. Het artikel eindigt met het volgende citaat. 'In feite doen we aan een soort stervensbegeleiding op afstand. Uiteindelijk zuipen de meesten zich dood'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster heeft betrokkene de destijds met deze gemaakte afspraken geschonden: de vraaggesprekken werden toegestaan uitsluitend voor een artikel in het schoolblad van betrokkene. Het artikel zou tevoren ter lezing worden toegezonden. Dit laatste is niet gebeurd. Klaagster heeft van betrokkene nooit meer iets over enige publikatie vernomen.
Daarnaast is klaagster het niet eens met de inhoud van het stuk. De beeldvorming van zwervers, die klaagster wil bestrijden wordt in het artikel juist bevestigd. Het artikel is te ongenuanceerd en dat geldt in het bijzonder voor de weergave van een aantal uitspraken en het citaat waarmee het stuk eindigt.

Betrokkene erkent dat hij destijds pas na enige moeite medewerking kreeg van de zijde van klaagster waarbij het inderdaad ging om een serie artikelen in Zipitaja. Betrokkene betreurt dat het artikel waarin klaagster voorkomt niet is toegestuurd, hetgeen wel zijn bedoeling was. Volgens betrokkene is niet afgesproken dat de tekst vóór publikatie zou worden voorgelegd.
Voor het stuk in de Telegraaf heeft betrokkene gebruik gemaakt van materiaal van destijds, met name van het gedeelte dat toen niet verwerkt werd. Betrokkene wist door contacten met de heer Boon dat de feitelijke situatie nog ongewijzigd was. Uit vrees voor een negatief antwoord heeft hij ervan afgezien klaagster toestemming te vragen het destijds vergaarde en nog niet verwerkte materiaal alsnog te gebruiken.

De klachten over de inhoud acht betrokkene niet wezenlijk. Volgens betrokkene is al hetgeen geciteerd is destijds precies zo gezegd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft niet kunnen vaststellen of destijds is afgesproken dat het artikel in Zipitaja vóór publikatie aan klaagster zou worden voorgelegd. Wel staat vast dat dit ook niet achteraf is gebeurd. Op grond van de mededeling van betrokkene neemt de Raad aan dat voor het stuk in de Telegraaf in 1986 gebruik werd gemaakt van nog niet verwerkt materiaal uit 1984. Waar het nu om gaat is dat betrokkene daarvoor in ieder geval eerst toestemming had moeten vragen aan klaagster, zoals betrokkene ter zitting ook heeft erkend. Door dit na te laten heeft betrokkene onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld door na een tijdsverloop van twee jaar zonder toestemming van klaagster gebruik te maken van oorspronkelijke niet gepubliceerde uitspraken uit een voor een ander doel afgegeven vraaggesprek.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in de Telegraaf wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 januari 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. A. J. Heerma van Voss, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1987, 1.