1986/9 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van omroepvereniging Vara tegen de hoofdredacteur van Het Parool en Prof. dr. A. Heertje

DE KLACHT

Bij brief van 22 april 1986 met één bijlage heeft Mr R. H. L Post, advocaat te Amsterdam, namens omroepvereniging Vara (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Parool en Prof.dr A. Heertje (betrokkenen). Bij brief van 14 mei 1986 met één bijlage heeft de hoofdredacteur van Het Parool zich tegen de klacht verweerd. Blijkens zijn brief van 20 mei 1986 heeft Prof. dr A. Heertje zich bij dit verweer aangesloten. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juni 1986. Partijen zijn niet verschenen zodat de Raad beslist heeft op grond van de stukken.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten. In Het Parool van 18 oktober 1985 heeft A. Heertje in zijn vaste column aandacht besteed aan de visie van Karel Roskam, commentator van o.a. omroepvereniging Vara, op de tussen de staat Israël en de PLO bestaande problematiek. Hij heeft dit gedaan door het citeren van een door hem ontvangen brief met onder meer de volgende passage. 'Ik kreeg de indruk dat Roskam hiervan een eerlijke voorstelling gaf. Hij is nu eenmaal al jaren iemand, die probeert op zijn eentje Israël van de kaart te vegen en hij doet dat op een eerlijke wijze en met open vizier'.
Na het verder citeren van deze brief volgt de volgende passage.

'Het is niet eenvoudig uw brief te beantwoorden. want natuurlijk hebt u gelijk indien u stelt dat de vele bestrijders van Israël eerlijk zijn De moeilijkheid is alleen dat men zich geen goede voorstelling kan maken van het samengaan van eerlijkheid met haat tegen het joodse volk. Gebrek aan integriteit en racisme liggen veeleer in elkaars verlengde. Men tast dan ook letterlijk in het duister omtrent de vraag of de Roskammen en de Botjes wel de eerlijke waarheid spreken. (...) In het onderhavige geval trekt Israël zich echt niets aan van de ware leugens die door allerlei commentatoren al jaren vanaf dezelfde plaats en op een identieke wijze worden verspreid'.

Op de column is door de Vara gereageerd door middel van ingezonden brieven van Karel Roskam zelf, van Maria Meijer, perschef en van Joep Bonn, Vara-medewerker. Deze brieven zijn gepubliceerd in de Maar Meneer-rubriek van 25 oktober 1985 met een bijschrift van A. Heertje.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENEN

Klaagster leest in het stuk van Heertje dat deze zich stelt achter de aan het adres van Roskam geuite beschuldiging 'Hij is nu eenmaal al jaren iemand, die probeert op zijn eentje Israël van
de kaart te vegen...'
De klacht luidt verder: '(Heertje) doet daar zelfs nog een schep bovenop door de heer Roskam te betichten van haat tegen het Joodse volk en van het verspreiden van leugens over Israël en zulks terwijl hij voor deze onware en tevens uitermate grievende beschuldigingen geen spoor van bewijs aandraagt'.
Betrokkenen hebben in de eerste plaats gewezen op het feit dat de klacht 'op journalistiek juiste wijze' is afgedaan door de publikatie van de naar aanleiding van het stuk van de zijde van de Vara ontvangen ingezonden brieven. Het verweer luidt verder dat naar de mening van Heertje 'het in verschillende commentaren van Roskam geventileerde begrip voor de wijze waarop Israël haar grenzen verdedigt onvoldoende (opweegt) tegen Roskams kritiek op Israëls handelen en het daarmee gepaard gaande begrip voor terroristische daden van Palestijnen'.
Als verontwaardigd tegenstander van Roskams opvattingen. aldus het verweer, heeft Heertje als columnist op de hem eigen wijze met sterke overdrijving de consequentie geschilderd waartoe zijns inziens de onjuiste opvattingen van Roskam voeren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Mede gezien Heertjes erkenning is de Raad van oordeel dat Heertje zich gesteld heeft achter de beschuldiging jegens Karel Roskam, die in de door Heertje geciteerde brief werd geuit. Het
uiten van deze beschuldiging valt naar de mening van de Raad binnen het recht van Heertje om als columnist vrij en openlijk kritiek uit te oefenen op de commentaren van Roskam Dit geldt echter niet voor de beschuldiging 'haat tegen het Joodse volk' met als implicatie racisme en 'het verspreiden van leugens'. De Raad meent dat deze beschuldigingen zich eveneens richten tegen Roskam door de verbinding, die Heertje legt tussen de eerder genoemde eerlijkheid van Roskam enerzijds en haat tegen het Joodse volk anderzijds. Deze laatste beschuldigingen worden niet voorzien van argumenten, zodat het uiten daarvan onzorgvuldig is jegens Roskam.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat Heertje zijn beschuldigingen van haat tegen het Joodse volk, racisme en het verspreiden van leugens niet had mogen doen zonder nader aan te geven waarop deze beschuldigingen berusten, zodat de klacht gegrond is.

De Raad verzoekt betrokkenen deze klacht integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 9 juni 1986 door Mr M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr G. Dullens

RvdJ 1986, 9.