1986/8 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Advocatencollectief Rotterdam tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf

DE KLACHT

Bij brief van 17 april 1986 met één bijlage heeft het Advocatencollectief Rotterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene). Bij brief van 23 april 1986 heeft deze laten weten at te zien van een schriftelijke reactie op de klacht. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juni 1986. Partijen hebben afgezien van mondelinge toelichting zodat de Raad beslist heeft op grond van de stukken.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In De Telegraaf van 3 april 1986 is onder de kop 'In troebel water' door De Telegraaf commentaar geleverd op de stellingname van het Advocatencollectief Rotterdam tegen het optreden van Justitie bij gelegenheid van de verstoring van de bijeenkomst van de Centrumpartij in Kedichem. In het commentaar komen de volgende passages voor:

'Volgens deze advocaten is 'de methode van ongenuanceerde collectieve verdenking' niet acceptabel in Nederland'. 'Van de groep gearresteerde verdachten hebben er 25 dagenlang geweigerd hun identiteit bekend te maken. Als zij zo onschuldig zijn als hun advocaten beweren waarom doen zij dit dan? Zij hebben dan toch niets te verbergen? Kortom: men krijgt 1 sterk het gevoel hier niet langer met advocaatverdedigers te doen te hebben, maar met georganiseerde in-troebel-water-vissers, voor wie de aanval de beste verdediging lijkt'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster acht het beledigend dat de advocaten zonder gegronde redenen uitgemaakt worden voor 'georganiseerde in-troebel-water-vissers' omdat daarmee gesuggereerd wordt dat hun activiteiten niet langer uitsluitend het voeren van de juiste verdediging tot doelstelling zouden hebben.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het commentaar van betrokkene lijkt gebaseerd te zijn op het misverstand dat de handelwijze van verdachten toegerekend dient te worden aan hun verdedigers. Dit brengt betrokkene tot de conclusie dat de door klaagster vertegenwoordigde advocaten in troebel water vissen. De Raad is van oordeel dat het hier om een toelaatbare meningsuiting gaat, die blijft binnen de grenzen van de zorgvuldigheid en daarom niet beledigend is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 9 juni 1986 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. G. Dullens, D. F. Houwaart, Mr. A. J. Heerma van Voss en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 8.