1986/6 gegrond

Anne Frank Stichting contra de EO

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Anne Frank Stichting tegen de directeur van de Evangelische Omroep en W. J. J. Glashouwer e.a.

Per brief van 14 januari 1986 met drie bijlagen heeft de Anne Frank Stichting te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de directeur van de Evangelische Omroep, drs. L. P. Doorenbos, alsmede tegen de EO-programmamedewerkers W. J. J. Glashouwer, drs. E. Vermaat, P. Koelewijn, F. Arnold en mevrouw J. Niemeijer (betrokkenen). Bij brief van 21 februari 1986 hebben betrokkenen zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 april 1986. Namens klaagster zijn verschenen drs. J. F. Westra, J. Kniesmeijer en D. Houwaart, respectievelijk directeur, medewerkster en voorzitter van het bestuur van de Anne Frank Stichting. Namens betrokkenen was aanwezig A. P. de Boer.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Op 19 december 1985 heeft de Evangelische Omroep in de serie 'de Toren van Babel' een programma uitgezonden met als onderwerp 'Discriminatie '85'. Het programma omvatte o. a. een weergave van delen van een in de studio gevoerd gesprek. Mevrouw J. Kniesmeijer was als vertegenwoordigster van de Anne Frank Stichting een van de deelnemers aan dat gesprek. Aan haar was tevoren meegedeeld dat in het programma ook gedeeltes van o.a. in Israël gehouden vraaggesprekken zouden worden opgenomen. Aan haar verzoek die opnamen voor de uitzending te mogen zien werd geen gevolg gegeven.
Het programma was zo gemonteerd dat het in de studio gehouden vraaggesprek voorafgegaan werd door gedeelten van met vier verschillende personen buiten de studio opgenomen interviews. Die interviews bevatten alle uitlatingen over de Anne Frank Stichting.

STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENEN

Klaagster is van oordeel dat betrokkenen haar bewust hebben misleid door haar niet tevoren op de hoogte te stellen van het feit dat de positie van de Anne Frank Stichting ter discussie kwam in het materiaal dat mede gebruikt zou worden voor de samenstelling van het programma, met als gevolg dat zij een aantal beschuldigingen niet heeft kunnen weerspreken. Hierdoor is schade berokkend aan de Anne Frank Stichting.
In één geval ging het om een beschuldiging, namelijk dat de Anne Frank Stichting 'cryptocommunistische tendenzen' zou vertonen, waarover naar aanleiding van eerdere uitzendingen van de EO door de Anne Frank Stichting correspondentie was gevoerd met de EO. In die correspondentie is de EO ervan op de hoogte gesteld dat de beschuldiging van crypto-communisme in een door de Tweede Kamer aangenomen motie ongegrond is geoordeeld.
Klaagster meent dat betrokkenen bewust laakbaar hebben gehandeld door haar gelegenheid tot commentaar in het programma te onthouden.
In hun schriftelijk verweer en ter zitting hebben betrokkenen erkend dat aan klaagster de gelegenheid had moeten worden geboden te reageren op de later in het programma gemonteerde filmfragmenten. Volgens betrokkenen is er echter geen sprake geweest van bewuste misleiding. Noch de programmamakers en noch de leider van het vraaggesprek, Glashouwer, hadden een totaalbeeld van de gefilmde interviews toen het studiogesprek plaats vond. Op dat moment stond ook nog niet vast in hoeverre fragmenten uit die filmopnamen gebruikt zouden worden. Dit was de reden waarom niet kon worden voldaan aan het verzoek van mevrouw Kniesmeijer haar die beelden te tonen. De selectie had toen nog niet plaatsgevonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat betrokkenen klaagster in de gelegenheid hadden moeten stellen te reageren op de uitlatingen die over haar werden gedaan in de ingemonteerde op film opgenomen vraaggesprekken, vooral gelet op de aard van die uitlatingen en wel zodanig dat het wederhoor van klaagster in het programma opgenomen was. Het feit dat volgens betrokkenen geen boos opzet in het spel was doet aan deze verplichting niet af.

BESLISSING

Betrokkenen hebben onzorgvuldig gehandeld door klaagster niet de gelegenheid tot wederwoord te geven. De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in één van haar uitzendingen bekend gemaakt wordt.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 april 1986 door mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, mr. P. J. Boukema, mr. L. van Vollenhoven. drs. H. W. M. van Run en J. M. P. J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 6.