1986/5 gegrond

Ernst Zwinger contra X

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Nederlandse Ski Vereniging en Ernst Zwinger tegen X. 

Per brief van 10 februari 1986 met vier bijlagen heeft de Nederlandse Ski Vereniging te Den Haag mede namens haar bondscoach Ernst Zwinger (klagers) een klacht ingediend tegen de journalist X (betrokkene). Deze heeft zich in een ongedateerd schrijven tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 april 1986. Klagers werden ter zitting vertegenwoordigd door mr. W. H. Jens, directeur van de Nederlandse Ski Vereniging en ir. M. A. Hoolboom, vice-voorzitter van de Alpinecommissie van de N.S.V. Betrokkene was in persoon aanwezig.

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Betrokkene maakt als sportjournalist deel uit van de redactie van de "Haagsche Courant". In de aflevering van deze krant van 13 januari 1986 is onder de tussen aanhalingstekens gestelde kop 'Ski-coach kan niet van de meisjes afblijven' een door betrokkene geschreven artikel verschenen over moeilijkheden tussen de Nederlandse skiester Angelica van der Kraats en bondscoach Ernst Zwinger.
In dit artikel komt de volgende passage voor.

'Angelica van der Kraats stopt. Amper twintig jaar jong. Haar vader vertelt waarom. 'Angelica', zegt Van der Kraats senior, 'zal niet meer ski?voor het Nederlands team. Ik durf mijn dochter niet langer toe te vertrouwen aan de zorg van bondscoach Ernst Zwinger. Die man kan niet van de meisjes afblijven en in de auto nooit zijn handen thuis houden. De Alpinecommissie van de Nederlandse Ski Vereniging weet hiervan, maar om onbegrijpelijke redenen wordt er niet ingegrepen. Het is een schande voor de hele Nederlandse ski-sport. Het is een grof schandaal'.

Het vervolg van het artikel bestaat voor een groot deel uit verdere citaten uit mededelingen van vader Van der Kraats. Bondscoach Zwinger zou een andere voor Nederland uitkomende skiester voortrekken en zou verijdeld hebben dat zijn dochter speciaal voor haar bestemde ski's in handen kreeg.
Het laatste citaat luidt als volgt.

'Eigenlijk had ik over deze zaak geen mededelingen aan de pers mogen doen. Ik heb van de Nederlandse Ski Vereniging destijds een brief moeten ondertekenen dat ik over deze affaire geen uitspraken zou doen. Die brief heb ik inderdaad ondertekend. Meneer Van der Haar was daarbij aanwezig. In die dagen had ik nog de stille hoop, dat er een oplossing zou worden gevonden. Van die ondertekening heb ik spijt. Het is te gek geworden nu. En in een democratie moet de waarheid toch eens aan het licht komen'.

Betrokkene eindigt zijn artikel met het aanhalen van M. A. Hoolboom. Deze aanhaling, waarin ondermeer Van der Kraats beweringen als 'pertinent onwaar' worden bestempeld leidt hij in als volgt.

'Het is een inderdaad spectaculair verhaal dat, wie had het anders verwacht,volledig wordt ontkend door de verantwoordelijke voorzitter van de Alpine-commissie, de Hagenaar M. A. Hoolboom'.

In de Haagsche Courant van 15 januari 1986 schreef betrokkene een vervolgartikel over deze zaak onder de kop 'Van der Haar aan het lijmen'. De strekking van dit artikel is dat door de maatschappelijk begeleider van de Nederlandse Sportfederatie bemiddeld wordt in het conflict tussen de N.S.V. en Angelica van der Kraats. In dit artikel wordt ook bondscoach Zwinger aangehaald. Deze zou de beschuldiging van handtastelijkheden 'kwatsch' hebben genoemd.

 

DE STANDPUNTEN VAN KLAGERS EN BETROKKENE

Klagers verwijten betrokkene dat hij zonder nader onderzoek mededelingen van de vader van Angelica van der Kraats heeft overgenomen met als gevolg dat er een aantal onjuistheden en onterechte ernstige beschuldigingen aan het adres van de bondscoach gepubliceerd zijn. Vooral vanwege de ernst van de aantijgingen aan het adres van de bondscoach had betrokkene deze tenminste ook zelf moeten horen. De in het artikel opgenomen ontkenning van ir. Hoolboom biedt onvoldoende tegenwicht, mede omdat diens woorden in de inleidende zin ontkracht worden door de toevoeging 'wie had het anders verwacht'

Betrokkene is van oordeel dat de ongevraagd verkregen informatie van Van der Kraats sr. een primeur van zodanig gewicht bevatte (namelijk dat diens dochter Angelica zou stoppen), dat hij de publikatie van dit nieuws niet kon laten wachten op het horen van bondscoach Zwinger. Hij betreurt achteraf dat diens commentaar in het eerste artikel ontbreekt. Zijn contact met de bondscoach v?hij zijn eerste artikel schreef, bestond slechts uit het arrangeren van een toto-opname op het moment dat de bondscoach op het punt stond uit zijn hotel in Zwitserland naar een andere plaats af te reizen. Deze ontmoeting vond plaats op de zaterdag voorafgaande aan maandag 13 januari 1986.
Na het verschijnen van het eerste artikel heeft hij nog wel pogingen gedaan om Zwinger te bereiken. Van de zijde van de N.S.V. was men echter niet bereid het mogelijk te maken dat hij Zwinger tijdens diens rondreizen door het skigebied telefonisch in een van de hotels te spreken zou krijgen. In plaats daarvan heeft hij toen in het tweede artikel geput uit eerder uitlatingen van Zwinger over Angelica van der Kraats in het orgaan van de N.S.V. Het woord 'kwatsch' is daaraan niet ontleend maar afkomstig uit zijn eigen pen.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad gaat het in deze zaak om de vraag of betrokkene de ernstige beschuldigingen van Van der Kraats senior tegen de bondscoach Zwinger mocht overnemen zonder die laatste eerst zelf gehoord te hebben, zulks terwijl de beschuldigingen van bevoegde zijde, namelijk door de N.S.V., ontkend werden.
Daar het in deze zaak om de publikatie van een primeur ging was betrokkene beperkt in zijn tijd hetgeen een beperking van de mogelijkheid tot het toepassen van het beginsel van wederhoor meebracht. De Raad moet constateren dat betrokkene van zijn korte ontmoeting met Zwinger v?de verschijning van het artikel geen gebruik heeft gemaakt om diens mening te vragen.
Gezien de ernst van de aantijgingen had betrokkene in ieder geval niet mogen volstaan met het weergeven van een verhoudingsgewijs summier commentaar van ir. Hoolboom. Het wederhoor van een derde kan bij dit soort beschuldigingen niet de plaats innemen van het wederhoor van de rechtstreeks in het geding zijnde partij, ook al is er reden om aan te nemen dat de reacties sterk overeen zullen komen.

 

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene de mededelingen van zijn zegsman, al bevatten deze een primeur, niet zonder nader onderzoek had mogen doorgeven gezien de ernst van de geuite beschuldigingen. De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in de Haagsche Courant wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 april 1986 door mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, mr. P. J. Boukema, mr. L. van Vollenhoven, drs. H. W. M. van Run en J. M. P. J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

 

RvdJ 1986, 5.