1986/4 ongegrond

Minister VROM contra Salverda en Runderkamp

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tegen F. Salverda en L. Runderkamp.

Bij brief van 24 maart 1986 met zes bijlagen heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (klager) eer klacht ingediend tegen de journalisten Feike Salverda en Lex Runderkamp (betrokkenen). Namens betrokkenen heeft Mr. G. Kemper, advocaat te Amsterdam, op 9 april 1986 eer verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 april 1986. Namens klager zijn verschenen mevrouw Drs. P. de Jonge en de heer P. E. Spijkerman, respectievelijk voorlichtingsmedewerkster en plaatsvervangend directeur Voorlichting Externe Betrekkingen van het Ministerie van VROM, bijgestaan door Mr. D. den Hertog, advocaat te Den Haag, Betrokkenen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. G. J. Kemper.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten
Op 16 maart 1986 is door de Vpro een aflevering uitgezonden van het televisieprogramma "Gouden Bergen". Dit programma is voorbereid en samengesteld door betrokkenen. De aflevering concentreerde zich op de rol van het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten in de gesubsidieerde woningbouw. Bij de voorbereiding van het programma hebben betrokkenen gedurende ongeveer drie weken telefonisch een zeer groot aantal vragen gesteld aan het Ministerie van VROM. Deze vragen zijn voor het overgrote deel telefonisch beantwoord door de voorlichtster van het Ministerie mevrouw Drs. P. de Jonge, hetzij terstond, hetzij na intern beraad.
In het eerste stadium van bovengenoemd contact tussen betrokkenen en Drs. De Jonge is de vraag aan de orde geweest of de staatssecretaris bereid was om ofwel zelf ofwel via een door hem aan te wijzen functionaris in de uitzending commentaar te geven op de bevindingen van betrokkenen. Dit is door het Ministerie geweigerd. Op of omstreeks 7 maart 1986 deelden betrokkenen desgevraagd aan Drs. De Jong mee dat wel de met haar gevoerde telefoongesprekken geheel of gedeeltelijk op de band waren opgenomen. Betrokkenen maakten het voornemen kenbaar een deel van de bandopnamen, namelijk die welke betrekking hadden op twee specifieke vragen, in de uitzending ten gehore te brengen. Ondanks het daartegen vervolgens door Drs De Jonge gemaakte bezwaar hebben betrokkenen de bewuste bandopnamen inderdaad in het programma doen afspelen.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENEN

Klager is van oordeel dat betrokkenen onzorgvuldig hebben gehandeld door zonder medeweten van hun gesprekspartner bandopnamen te maken van de met haar gevoerde telefoongesprekken met het doel gedeelten daarvan in een televisieprogramma uit te zenden en door vervolgens ondanks uitdrukkelijk bezwaar daartegen, daadwerkelijk tot uitzending over te gaan.
Voor klager maakt het geen verschil of de weergave van de gesprekken op zichzelf correct en zonder valse neveneffecten geschiedt. Klager meent dat het verkeer tussen overheidsvoorlichters en journalisten ernstig bemoeilijkt zal worden wanneer de handelwijze van betrokkenen geaccepteerde praktijk gaat worden.

Betrokkenen menen dat het antwoord op de vraag of zij de door hen gevoerde telefoongesprekken op de band mochten opnemen, bepaald wordt door het gebruik dat zij van die bandopnamen wilden maken. Het hekel maken van bandopnamen achten zij op zichzelf niet onfatsoenlijk. Naar hun oordeel hebben zij delen van de bandopnamen op correcte wijze openbaar gemaakt. De verstrekte informatie is niet uit het verband gelicht. Er is geen sprake van vertrouwelijke mededelingen, die de voorlichtster niet gedaan zou hebben indien zij van de opname geweten had en er is evenmin sprake van mededelingen die zij achteraf betreurt; ook wordt zij niet aan de hand van gemaakte versprekingen of op andere wijze in diskrediet gebracht of belachelijk gemaakt.
Het standpunt van betrokkenen is dat alleen wanneer zij op onbehoorlijke wijze tot openbaarmaking overgegaan zouden zijn, het opnemen zonder medeweten van de gesprekspartner en het uitzenden zonder haar toestemming onbehoorlijk is.
Betrokkenen menen dat de bezwaren van klager neerkomen op een discriminatie van het medium televisie.
'Immers, door wel toe te staan dat mededelingen letterlijk worden geciteerd, als ware het in druk, en een toestemmingsvereiste te creëren voor het uitzenden van opnamen, belemmert de Minister de maker van een televisieprogramma in zijn noodzakelijke vrijheid om dat programma naar eigen inzicht samen te stellen en te doen beantwoorden aan de aan een televisieprogramma van geval tot geval te stellen specifieke eisen'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad gaat het in deze zaak om de volgende vragen.
1. Mag een journalist een bandopname maken van een met hem gevoerd telefoongesprek, al dan niet met het doel dit later openbaar te maken, zonder medeweten van zijn gesprekspartner.
2. Mag hij tot openbaarmaking overgaan zonder toestemming van zijn gesprekspartner.

Bij het antwoord op die vragen stelt de Raad voorop dat men zich in de regel anders en met name zorgvuldiger uitdrukt wanneer men weet dat zijn woorden worden vastgelegd dan wanneer men denkt dat dit niet het geval is; dat de menselijke stem en de wijze waarop die gebruikt wordt iets toevoegt aan de letterlijke inhoud van de gebruikte woorden; en dat men zijn stem ervaart als een deel van zijn persoonlijkheid. Dit alles brengt mee dat men zich misbruikt kan voelen als de stem en de woorden die men dacht alleen te hebben geuit in de beslotenheid en eenmaligheid van een telefoongesprek, achteraf blijken op de band te zijn vastgelegd, waardoor men het ook niet meer in zijn macht heeft te bepalen of, wanneer, aan wie en onder welke omstandigheden die stem en die woorden ten gehore zullen worden gebracht.
De Raad is daarom van oordeel dat het door een journalist maken van bandopnamen van door hem gevoerde (telefoon)gesprekken zonder dat zijn gesprekspartner daarvan op de hoogte is, in het algemeen een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is en dat ieder er aanspraak op heeft zelf te kunnen bepalen of en zo ja onder welke omstandigheden bandopnamen van zijn stem mogen worden gemaakt en gebruikt.

In het onderhavige geval betrof het echter - veelal van tevoren aangekondigde - telefoongesprekken met een gesprekspartner die in haar hoedanigheid van voorlichtingsmedewerkster van een Ministerie beroepshalve zakelijke informatie verstrekte en die ervan op de hoogte was dat de journalisten waarmee zij sprak de via haar van het Ministerie verkregen informatie wilden gebruiken ten behoeve van een tot de onthullingsjournalistiek behorend televisieprogramma. Onder die omstandigheden acht de Raad het maken van de gewraakte opnamen niet in strijd met de normen die door journalisten bij het vervullen van hun functie in acht moeten worden genomen, temeer niet nu - gelet op de ingewikkeldheid van de materie - de opnamen konden bijdragen tot een correcte weergave van de verstrekte informatie.
Die omstandigheden vormen in dit geval tevens voldoende rechtvaardiging voor openbaarmaking van de bandopnamen zonder toestemming van de gesprekspartner. Het belang immers dat betrokkenen hadden bij deze wijze van openbaarmaking - te weten het versterken van de authenticiteit van de informatie op een wijze die past bij de aard van het gebruikte medium - weegt onder de omstandigheden van dit geval op tegen de inbreuk op de eerder geformuleerde rechten van de gesprekspartner.
De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat van de zijde van klager geen bezwaar bestond tegen publikatie van de letterlijke inhoud van de verstrekte informatie en dat niet gesteld of gebleken is dat in dit geval de levenssfeer van de voorlichtster als privé-persoon is aangetast of dat zij anderszins persoonlijk in haar belangen is geschaad.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen in de bijzondere omstandigheden van dit geval zoals die in deze uitspraak zijn beschreven, geen ontoelaatbare inbreuk hebben gemaakt op het recht van gesprekspartners van journalisten om te weten en te bepalen of een gesprek op de band wordt vastgelegd en of die band wordt openbaar gemaakt. De klacht is derhalve ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in een van hun programma's openbaar wordt gemaakt.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 april 1986 door mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, mr. P. J. Boukema, mr. L van Vollenhoven, drs. H. W. M. van Run, en J. M. P. J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 4.