1986/3 gegrond

Ds. B. J. Knottnerus contra J. van Hoof

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Ds. B. J. Knottnerus
tegen J. van Hoof.

In een brief van 14 december 1985 met zestien bijlagen en een aanvullende brief van 14 januari 1986 heeft Ds. B. J. Knottnerus te Baarn (klager) een klacht ingediend tegen de journalist J. van Hoof (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 10 februari 1986. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 februari 1986. Beide partijen waren in persoon aanwezig. Klager heeft nog een schriftelijke toelichting overhandigd waarop door betrokkene is gereageerd in een brief van 28 februari 1986.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In "Elseviers Magazine" van 30 maart 1985 is een artikel verschenen van betrokkene over bepaalde beslissingsproblemen bij de behandeling van kanker bij kinderen. Het artikel draagt als kop het volgende tussen aanhalingstekens geplaatste citaat: 'er zijn maar weinig mensen die dood willen gaan', met daarboven in kleinere vetgezette letters en onderstreept: 'Prof. dr. P. A. Voute:'. Deze kop is afgedrukt naast een foto van Prof. dr. Voute.
Na een inleiding van enige regels in een iets groter dan normaal lettertype begint het artikel met de weergave van de ziektegeschiedenis van de enige jaren geleden aan kanker overleden zoon van klager. In dit gedeelte van het artikel worden klager en zijn echtgenote een paar maal geciteerd. Ook wordt melding gemaakt van een door klager in het artsenblad 'Medisch Contact' geschreven artikel over de grenzen van het medisch handelen.
Hierna wordt in het artikel van betrokkene het bepalen van die grenzen nader aan de orde gesteld in een gesprek met Prof. dr. P. A. Voute, hoofd van de Afdeling Oncologie van het Emma-Kinderziekenhuis te Amsterdam.
Naar aanleiding van door klager tegen het verschenen artikel geuite bezwaren is deze door betrokkene in de gelegenheid gesteld met een ingezonden brief op het stuk te reageren. Partijen werden het niet eens over de inhoud, met als gevolg dat klager van deze mogelijkheid heeft afgezien.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

De Raad geeft het standpunt van klager als volgt weer.
Klager zocht zelf contact met betrokkene met de bedoeling deze te inspireren tot een artikel over door hem gesignaleerd onverantwoord medisch handelen bij de behandeling van kanker bij kinderen. Als uitgangspunt zou kunnen dienen de ziektegeschiedenis van de zoon van klager, die behandeld is in het Emma-Kinderziekenhuis in Amsterdam. Het was echter uitdrukkelijk zijn bedoeling 'niet op de man te spelen maar op de bal' . Hij wilde de bij zijn zoon ondervonden problemen in het algemeen aan de orde stellen. Betrokkene ging op zijn voorstel in waarna een langdurig gesprek plaatsvond tussen klager, diens echtgenote en betrokkene. Betrokkene deed aan klager de toezegging dat er overleg met klager zou plaatsvinden voor de eindredactie van het artikel.

Bij brief van 28 maart 1985 liet betrokkene aan klager weten dat zijn artikel in Elseviers Magazine van die week zou verschijnen. Hij schrijft daarover onder meer het volgende. 'Dit zal ongetwijfeld niet geheel conform Uw verwachtingen zijn, omdat tegenover Uw ervaringen ook die van prof. Voute staan. Na bestudering van de documentatie en gesprekken met anderen, kon ik, overigens in overleg met de hoofdredactie, tot geen andere opzet komen...'
Klager wijst op deze brief ter ondersteuning van zijn stelling dat tussen hem en betrokkene een andere opzet, namelijk zoals boven vermeld, was besproken.
Klager meent dat betrokkene hem over die gewijzigde opzet had moeten inlichten en zich ook aan zijn toezegging had moeten houden overleg met hem te plegen over de eindredactie van het artikel zodat klager zich eventueel had kunnen terugtrekken of had kunnen reageren op de uitspraken van prof. Voute.
Klager stelt dat hij nooit aan het artikel zou hebben meegewerkt wanneer hij voorzien zou kunnen hebben dat het deze vorm zou krijgen. Betrokkene wist dat hij zeer ernstige kritiek heeft op prof. Voute en dat deze voor hem een omstreden figuur is. Klager acht het onzorgvuldig dat betrokkene hem zonder zijn voorkennis in hetzelfde artikel laat figureren als Prof. Voute, waarbij tegenover het publiek de indruk wordt gewekt alsof hij van tevoren van die vorm op de hoogte was en daaraan heeft meegewerkt.

Het verweer van betrokkene luidt samengevat als volgt.

Volgens betrokkene spitste de informatie van klager zich geheel toe op de situatie in het Emma-Kinderziekenhuis te Amsterdam. Bij zijn onderzoek naar de volgens klager aldaar heersende ongewenste situatie en zijn in verband daarmee gevoerde gesprek met Prof. Voute kwam hij tot een andere visie dan die van klager. Hij heeft zijn artikel daaraan vervolgens aangepast maar zag toen geen reden meer het stuk nog aan klager voor te leggen. Wel bleef hij de ziektegeschiedenis van de zoon van klager als inleiding gebruiken. Overleg met klager hierover was niet nodig omdat dit reeds openbaar bekende gegevens waren uit het door klager zelf in 'Medisch Contact' geschreven artikel.
Betrokkene benadrukt dat hij zich niet vooraf heeft vastgelegd op het volgen van een bepaalde opzet. Hij hield de vrijheid het artikel volgens zijn eigen inzicht te schrijven. De toezegging aan betrokkene overleg te plegen over de eindredactie hield geen veto-recht van klager in, maar had slechts ten doel om grove fouten of verkeerde citaten te voorkomen en 'eventueel om overleg mogelijk te maken over uitspraken die geïnterviewden zouden kunnen schaden'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De bezwaren van klager betreffen niet de feitelijke inhoud van het door betrokkene geschreven artikel, maar het feit dat betrokkene in strijd met zijn toezegging niet met klager in overleg trad over de eindredactie van het artikel en dat hij zonder klager daarin te kennen tot een andere opzet overging dan met klager was besproken.
Mede op grond van de door klager genoemde brief van betrokkene aan hem van 28 maart 1985 gaat de Raad ervan uit dat tussen partijen een bijzondere afspraak was gemaakt. Deze hield in dat een verklaring van geen bezwaar van de geïnterviewde was vereist alvorens tot publikatie kon worden overgegaan. Naar het oordeel van de Raad behoudt zelfs bij een dergelijke vergaande afspraak de journalist het recht om alsnog af te zien van de beoogde publikatie of om een andere opzet te volgen. Hij mag dan echter niet zonder nader overleg gebruik maken van origineel interviewmateriaal. Betrokkene had derhalve de door klager en zijn echtgenote aan hem verstrekte informatie voorzover die niet reeds uit openbare bronnen kenbaar was, niet mogen gebruiken zonder diens uitdrukkelijke toestemming nu hij het artikel een andere wending heeft gegeven, die klager bepaald niet voor ogen stond toen deze met hem in zee ging.
De Raad meent dat het aanbod tot opnemen van een ingezonden brief de tegenover klager begane onzorgvuldigheid niet kon goedmaken omdat daarmee het schenden van de gemaakte bijzondere afspraak niet kon worden hersteld.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager door zijn toezegging tot overleg voor de eindredactie van zijn artikel niet na te komen en door zonder toestemming van klager diens persoonlijk verstrekte informatie in een nieuwe aan klager niet voorgelegde opzet te gebruiken.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Elseviers Magazine wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 februari 1986 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, J. L. de Troye, Mr. G. Dullens, Mr. F. Kuitenbrouwer en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 3.