1986/18 ongegrond

Dr. G. R. Zondergeld contra Ton van de Graaf

Bij brief van 24 mei 1986 met drie schriftelijke bijlagen, een bandopname en een aantal kranteknipsels heeft Dr. G. R. Zondergeld te Weesp (klager) een klacht ingediend tegen de radioreporter Ton van de Graaf (betrokkene). Bij brief van 10 september heeft de directeur van de VPRO-radio, J. Haasbroek, namens betrokkene op de klacht gereageerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 september 1986. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene werd vertegenwoordigd door J. Haasbroek voornoemd. Bij brief van 3 oktober 1986 heeft J. Haasbroek geantwoord op twee vragen van de Raad. Bij brief van 13 oktober 1986 heeft klager op die brief gereageerd.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
De VPRO-radio heeft in het actualiteitenprogramma 'Het Gebouw' van 18 maart 1986 aandacht besteed aan de Friese Nationale Partij (FNP), kennelijk met het oog op de raadsverkiezingen van 19 maart 1986. Het desbetreffende programma-onderdeel van ongeveer 17 minuten werd gemaakt door Ton van der Graaf. Deze had daartoe o.a. op 17 maart 1986 een vraaggesprek met klager over de geschiedenis van de Friese Beweging. Klager is in 1978 gepromoveerd op de dissertatie 'De Friese Beweging in het tijdvak der beide Wereldoorlogen'.
Aan het einde van dit programmaonderdeel (tevens einde van de uitzending) werd de volgende vraag van betrokkene uitgezonden. 'Kun je zeggen dat een hoop mensen die in de oorlog gecollaboreerd hebben, dat die na de oorlog, U zei al weer in posities terecht gekomen zijn, maar ook de Friese Beweging gewoon weer hebben voortgezet?'
Het antwoord hierop van klager luidt in de uitzending: 'Ja, heel duidelijk, de achtergrond van de oprichters van de FNP en vooral ook de mensen die die partij in de jaren zeventig hebben gemaakt, ik denk aan Singelsma, die kun je heel duidelijk leggen bij de Friese Nationalistische Jeugdbeweging van vlak voor de oorlog'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager verwijt betrokkene dat deze bewust achter de gestelde vraag een zodanig antwoord heeft gemonteerd dat daarmee een volgens klager door betrokkene beoogd negatief effect werd bereikt. Volgens klager had hij tijdens het vraaggesprek reeds gemerkt dat betrokkene erop uit was een verband te kunnen leggen tussen de FNP en die Friesetaalstrijders, die tijdens de Duitse bezetting met de Duitsers hadden gecollaboreerd. Volgens klager is er echter 'hoegenaamd geen verband van dien aard', hetgeen hij ook aan betrokkene heeft duidelijk gemaakt.
Onder de Friese beweging verstaat klager het conglomeraat van organisaties, dat zich bezighoudt met het behoud en de bevordering van de Friese taal- en letterkunde. Hij heeft erop gewezen dat een aantal Friese schrijvers en taalstrijders, die met de bezetter hadden gecollaboreerd, ten gevolge van de milde zuivering na de oorlog al weer spoedig hun posities konden herinnemen. Hij heeft echter ook duidelijk gesteld dat de Friese Nationalistische Jeugdbeweging van voor de oorlog, uit welke beweging oprichters van de FNP zijn voortgekomen, juist niet met de Duitsers heeft gecollaboreerd, maar in tegendeel verzetsmensen heeft opgeleverd.
De luisteraars, die goed op de hoogte zijn konden daarom wel begrijpen dat het uitgezonden antwoord niet op de vraag kon slaan. Minder oplettende luisteraars zullen echter gedacht hebben dat volgens klager de FNP is opgericht door collaborateurs.
Volgens klager heeft betrokkene door zijn vraag- en antwoordmontage bewust dit negatieve ef
fect willen bewerkstelligen.
Betrokkene heeft erkend, dat het vraaggesprek in de uitgezonden vorm gemonteerd is uit de bandopname van het oorspronkelijke vraaggesprek. Het is eveneens juist dat het aangevallen antwoord gemonteerd is uit twee antwoorden. Betrokkene heeft met nadruk ontkend dat hierbij enige bedoeling tot misleiding zou hebben voorgezeten. Om het standpunt van klager duidelijk te laten uitkomen, is volgens betrokkene in het laatste stuk van de uitzendband de volgende samenvattende vraag gemonteerd: 'Mag je daaruit concluderen dat de FNP is opgericht voor collaborateurs?' Volgens betrokkene luidde het antwoord van klager op die vraag: 'Nee, dat gaat me te ver'.
Volgens betrokkene is door een calculatiefout de uitzendband te laat gestart met als gevolg dat het laatste gedeelte van het gemonteerde vraaggesprek met klager is weggevallen. De presentator van het programma heeft het weggevallen gedeelte samengevat. Betrokkene erkent dat daarbij onvoldoende recht is gedaan aan het standpunt van klager, waarover betrokkene spijt heeft betuigd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht houdt in dat betrokkene bewust een verkeerde montage heeft gemaakt van een vraaggesprek met klager. Betrokkene heeft erkend dat het aangevallen antwoord inderdaad gemonteerd is uit twee verschillende antwoorden. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene dit heeft gedaan met de opzet van misleiding.
Wel meent de Raad dat het door montage verkregen antwoord de door klager verstrekte informatie niet juist weergeeft. Betrokkene heeft niet weersproken dat volgens klager de oprichters van de FNP afkomstig zijn uit de Friese Nationalistische Jeugdbeweging van voor de oorlog. Het gemonteerde antwoord legt een koppeling tussen de Friese Beweging in het algemeen en laatstgenoemde beweging in het bijzonder. Daardoor kan naar het oordeel van de Raad inderdaad het misverstand ontstaan dat volgens klager de FNP is opgericht door collaborateurs, die zich immers volgens het vraaggesprek ook bevonden onder leden van de Friese Beweging.
De Raad acht het aannemelijk dat de uitzendband voortijdig is afgebroken. De Raad wil tevens aannemen dat het weggevallen gedeelte nog een passage heeft bevat waarmee betrokkene recht heeft willen doen aan het standpunt van klager. Daargelaten of het volgens betrokkene van klager verkregen antwoord ('Nee, dat gaat me te ver'.) op de daartoe strekkende vraag ('Mag je daaruit concluderen dat de FNP is opgericht door collaborateurs?') inderdaad aldus gegeven is en daargelaten de vraag of het bovenbedoelde mogelijke misverstand daarmee voldoende tegenwicht kreeg, stelt de Raad vast dat ook in de visie aan betrokkene het vraaggesprek in de uitgezonden vorm de inhoud van het besprokene niet juist weergaf.
Naar het oordeel van de Raad had het daarom op de weg van betrokkene gelegen de gemaakte fout uit eigen beweging te herstellen.

BESLISSING

De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat betrokkene in het met klager uitgezonden vraaggesprek met de opzet van misleiding een bepaald antwoord heeft gemonteerd. In zoverre is de klacht derhalve ongegrond.

De Raad meent wel dat betrokkene te kort geschoten is in zorgvuldigheid door niet uit eigen beweging het feit dat van het opgenomen vraaggesprek een essentieel gedeelte was weggevallen, te corrigeren.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in een van de radio-uitzendingen van de VPRO wordt weergegeven.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 december 1986 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. G. Dullens, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. D. T. Dalmolen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

Rvdj 1986, 18.