1986/15 ongegrond niet-ontvankelijk

VAN LUTTIKHUIZEN CONTRA VEENHOF

Bij brief van 6 augustus 1986 met drie bijlagen heeft mevrouw A. van Luttikhuizen-de Vries te Hoenderloo (klaagster) een klacht ingediend tegen Herman Veenhof (betrokkene). Bij brief van 18 augustus 1986 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is afgehandeld ter zitting van de Raad van 29 september 1986. Beide partijen waren in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In het "Nederlands Dagblad" van 3 juli 1986 is onder de kop 'AntiZionisme als export-artikel' een artikel verschenen van betrokkene over het voorgenomen bezoek van generaal David Dragoenski en Professor Samuoeil Zivs, beiden lid van het in 1983 in Moskou opgerichte 'Anti-Zionistische Comité van de Publieke Opinie' aan het Anne Frank-huis te Amsterdam op 17 mei 1985. De beide Russen waren in Nederland op uitnodiging van de Bond van Anti-Fascisten. Klaagster heeft als lid van deze bond de twee Russen per taxi bij het tevoren aangekondigde bezoek naar het Anne Frank-huis begeleid. Die aankondiging had negatieve reacties opgeroepen, zoals bij de aankomst bij het Anne Frank-huis bleek. De taxi is uiteindelijk doorgereden en van het bezoek werd afgezien.

Het artikel bevat hierover de volgende passage.

'Mevrouw Luttikhuizen, lid van de Antifascistische Bond geeft haar mening: 'We zagen een man of vijftien voor de ingang van het museum staan. Ze maakten dreigende gebaren. We wilden geen vechtpartij en zijn toen maar doorgereden'. Hans Westra: 'Dat verhaal van mevrouw van Luttikhuizen is een totale leugen'. De waarheid ligt deze keer waarschijnlijk niet in het midden'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Het eerste verwijt van klaagster betreft het feit dat de Bond van Anti-Fascisten aangeduid wordt met een verkeerde naam. Betrokkene had de juiste naam kunnen weten omdat op telefonisch verzoek documentatiemateriaal van de Bond van Anti-Fascisten naar de redactie van het Nederlands Dagblad is toegezonden.
Klaagsters tweede bezwaar is dat haar een citaat in de mond wordt gelegd dat niet van haar afkomstig is. Volgens klaagster heeft zij slechts eenmaal contact gehad met een journalist van het Nederlands Dagblad. Deze bediende zich van de naam 'Jos Theunissen' en vroeg om een brochure van de Bond van Anti-Fascisten. Deze heeft zij toegezonden. Wel heeft zij nog contact gehad met een fotojournalist over de tocht naar het Anne Frank-huis. In dat gesprek heeft zij zich niet uitgelaten over het aantal personen, dat bij het Anne Frank-huis verzameld was. Dat waren er veel meer dan vijftien en van een dreigende houding was geen sprake. Om die reden acht zij het uitgesloten dat zij de door betrokkene genoemde uitlating heeft gedaan.
Het derde bezwaar van klaagster richt zich tegen het feit dat de redactie van het Nederlands Dagblad geweigerd heeft op haar verzoek een rectificatie op te nemen.

Betrokkene blijft erbij dat hij telefonisch contact heeft gehad met klaagster over het voorgenomen bezoek en dat zij zich in dat telefoongesprek heeft uitgelaten zoals door hem is vermeld. Hij heeft haar uitlating telefonisch voorgelegd aan o.a. Hans Westra van het Anne Frank-huis. Betrokkene heeft geen verklaring voor het feit dat volgens klaagster dit telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden. Hij heeft eenmaal eerder een gesprek gevoerd via het telefoonnummer van klaagster.

Dat was toen hij om toezending van documentatiemateriaal vroeg. Hij werd toen te woord gestaan door een man. Iemand van de naam Jos Theunissen kent hij niet.
Betrokkene erkent dat hij de Bond van Anti-Fascisten met een verkeerde naam heeft aangeduid. Dit had naar zijn mening inderdaad beter rechtgezet kunnen worden. De beslissing over het opnemen van ingezonden brieven ligt bij de hoofdredacteur. Deze voelde daar in dit geval niet voor.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het zwaartepunt van de onderhavige klacht ligt bij de kwestie van het citaat. De essentie van dit citaat is dat klaagster, eenmaal met haar gasten bij het Anne Frank-huis gekomen zijnde, is doorgereden om moeilijkheden te voorkomen. Deze feiten zijn door klaagster als juist erkend, zij het dat volgens klaagster deze beslissing niet werd ingegeven door de dreigende houding van bij het Anne Frank-huis verzamelde personen maar veeleer door aldaar opgehangen posters. Dit brengt het belang van de klacht terug tot de vraag of klaagster zich hierover tegenover betrokkene heeft uitgelaten en wel in precies de bewoordingen, die betrokkene aangeeft. Op deze punten staan de verklaringen van klaagster en betrokkene lijnrecht tegenover elkaar. Nu de inhoud van het citaat in essentie niet onjuist is, heeft klaagster echter naar het oordeel van de Raad niet voldoende belang bij haar klacht aangaande het citaat, zodat deze reeds daarom dient te worden afgewezen.
Het niet juist vermelden van de naam van de Bond van Anti-Fascisten en het niet rectificeren van die vermelding is niet correct. Het gaat hier echter om een kleine onzorgvuldigheid, die niet maatschappelijk onaanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar klacht betreffende het citaat en verklaart de overige klachten ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nederlands Dagblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 29 september 1986 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, J. L. de Troye, O. Postma ing., J. M. P. J. Verstegen en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 15.