1986/13 ongegrond

G.M. HOUBEN CONTRA DE VOLKSKRANT

Bij brief van 24 juni 1986 met één bijlage en aanvullende brief van 7 juli 1986 heeft G. M. Houben (Ma Prem Hamido) te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Volkskrant en de journaliste Ineke Jungschleger (betrokkenen). Bij brief van 26 augustus 1986 heeft Drs. H.A. Lockefeer, hoofdredacteur van De Volkskrant, op de klacht gereageerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 september 1986. Klaagster is in persoon verschenen. Betrokkenen hadden laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In De Volkskrant van 18 januari 1986 is een vraaggesprek gepubliceerd van Ineke Jungschleger met de schrijver Henk Bernlef met als hoofdthema de dood. De publikatie omvat onder meer het volgende citaat uit het vraaggesprek.

'De meeste mensen kunnen de verantwoordelijkheid voor het denken over zaken van leven en dood niet zelf aan. Ze moeten daarvan verlost worden doordat een ander het van hen afneemt. Dus zoeken ze daar een clubje voor. Omdat de westerse religieuze modellen zo verbonden zijn met conservatisme, zijn die niet meer aantrekkelijk. Wie wordt er nou nog lid van de gereformeerde of katholieke kerk? De Bhagwan is een oplichter, maar conservatief is 'ie niet. Je mag van hem wel zwemmen op zondag. En het is ver weg, Oosters, ongrijpbaar, dus vooruit maar. Ik keur dit soort bewegingen niet goed hoor - het is griezelig dat mensen zich afhankelijk maken van een handig persoon die zich door hen verrijkt - maar ik begrijp hoe het komt'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENEN

Klaagster heeft in haar brief en ter zitting verklaard dat zij na een lang leven (klaagster is 75 jaar oud) ter bevrediging van haar religieuze behoeften met blijvende voldoening Bhagwan Shree Rajneesh tot haar spirituele gids en vriend op haar innerlijke weg heeft gekozen. Zij omschrijft de relatie tussen meester en discipel als inniger dan die tussen vader en zoon. Zij kent Bhagwan persoonlijk en heeft hem opgezocht zowel in de Verenigde Staten als in Phoona.
Klaagster is van oordeel dat Henk Bernlef lasterlijke aantijgingen heeft gedaan aan het adres van Bhagwan, die feitelijk onjuist zijn. Volgens klaagster is Bhagwan geen oplichter, die zich verrijkt ten koste van de mensen die zich van hem afhankelijk hebben gemaakt. Klaagster voelt zich gekwetst en in haar persoonlijk belang getroffen door bovengenoemde aantijgingen. Haar verwijt aan betrokkenen is dat dezen de uitlatingen van Bernlef kritiekloos hebben overgenomen.

Het schriftelijke antwoord van betrokkenen luidt als volgt.
'Wij zijn van mening:
1. dat de klacht reeds wegens het lange tijdsverloop sinds de publikatie van het interview afgewezen behoort te worden zonder uitgebreider voorbereiding en een behandeling ter zitting;
2. dat overigens de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de aangevochten meningsuiting van Henk Bernlef en de publikatie daarvan in de Volkskrant geen betoog behoeft'.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat het enkele feit dat er tussen de gewraakte publikatie en het indienen van de klacht vijf maanden zijn verlopen, niet in de weg staat om een oordeel te vormen over de vraag of de publikatie gezien de eisen van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Een dergelijk oordeel kan immers van belang zijn voor kla(a)g(st)er in het geval in kwestie en voor betrokkenen in eventuele toekomstige gevallen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In een bespiegeling over de behoefte van de mens aan religie in een min of meer georganiseerde vorm bespreekt Bernlef de religieuze figuur Bhagwan. De Raad meent dat Bhagwan beschouwd moet worden als een openbare persoonlijkheid, die gezien zijn ideeën en levenswijze vele en uiteenlopende reacties oproept. In die situatie is het geoorloofd zich over die persoon in sterkere bewoordingen uit te laten dan over een willekeurige burger.
De Raad is van oordeel dat derhalve betrokkenen de uitlating van Bernlef over Bhagwan in de
publikatie van het vraaggesprek mochten opnemen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht wel ontvankelijk, maar ongegrond. Het overnemen door betrokkenen in de publikatie van het vraaggesprek met Henk Bernlef van diens negatieve uitlatingen over Bhagwan acht de Raad maatschappelijk aanvaardbaar.

De Raad verzoekt betrokken deze beslissing integraal of in samenvatting in De Volkskrant publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 september 1986 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. G. Dullens, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. D. T. Dalmolen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1986, 13.