1986/12 gegrond

De Triangel contra Opzij

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van het Socio-Therapeutisch Instituut De Triangel tegen de hoofdredactrice van Opzij en Lydia Vorrink

Bij brief van 21 mei 1986 met vijf bijlagen heeft het bestuur van het Socio-Therapeutisch Instituut De Triangel te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredactrice van het maandblad Opzij en Lydia Vorrink (betrokkenen). Bij brief van 25 augustus 1986 heeft Mr. G. J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens betrokkenen een verweerschrift ingediend onder latere toezending van nog twee bijlagen. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 september 1986. Namens klaagsters zijn verschenen mevrouw Drs. M. L. Frohn-de Winter en Drs. A. J. van Montfoort, respectievelijk voorzitter en lid van het bestuur van de Triangel en Drs. N. C. Oudendijk, directeur. Betrokkenen zijn in persoon verschenen samen met Mr. G. J. Kemper.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In het maandblad Opzij van september 1985 is onder de tussen aanhalingstekens gestelde kop 'Niet ingrijpen als een man zijn vrouw slaat, schept helderheid' met als onderkop 'Mishandeling van cliëntes in progressief-therapeutisch instituut' een artikel verschenen van Lydia Vorrink over De Triangel te Amsterdam. Het artikel wordt ingeleid als volgt.

'Vijf vrouwen hebben een klacht ingediend over verkrachting en aanranding tegen een psycholoog van het sociotherapeutisch instituut de Triangel te Amsterdam, waar gezinnen met problemen voor een bepaalde periode worden opgenomen. Drie van de vijf vrouwen waren cliëntes van deze man en de andere twee hebben gewerkt in de begeleiding van gezinnen die in de Triangel verbleven. Een onderzoek naar de manier waarop dit instituut omgaat met de problematiek van vrouwenmishandeling, maakt begrijpelijk hoe het seksueel geweld tegen de vijf vrouwen kon plaatsvinden'.

Na een beschrijving van de ervaringen van de vijf in de inleiding genoemde vrouwen volgt onder de tussenkop 'Vrouwenmishandeling' de volgende passage.

'De klachten van de vijf vrouwen over de psycholoog van de Triangel hoeven ons eigenlijk niet te verbazen als we deze in verband brengen met de resultaten van een onderzoek naar de manier waarop men bij de Triangel omgaat met de problematiek van vrouwenmishandeling. Men blijkt daar weinig begrip voor de positie van vrouwen te hebben. Vrouwenmishandeling wordt door hen voorgesteld als een zeer verklaarbare misstap van de man die slachtoffer is van zijn onmacht en als laatste redmiddel geweld gebruikt om op die manier in contact te komen met zijn vrouw of vriendin die hem maar niet wil begrijpen. Volgens hen lokt de vrouw het geweld uit en draagt daaraan schuld'.

Het artikel vervolgt met een beschrijving van en conclusies uit het in 1983 door Lydia Vorrink als sociaal-psychologe onder auspiciën van het Willem Pompe Instituut voor Strafrecht Wetenschappen te Utrecht uitgevoerde onderzoek naar de wijze waarop binnen de Triangel wordt gereageerd op vrouwenmishandeling. Het laatste gedeelte van het artikel bevat onder de tussenkop 'Weerzinwekkend' de volgende passage.

'Na deze beschrijving van de in mijn ogen weerzinwekkende manier waarop men in de Triangel met de problematiek van vrouwenmishandeling omgaat, mag duidelijk zijn dat de klachten van de vijf vrouwen over het seksueel geweld van de psycholoog niet op toevallige incidenten wijzen, maar logisch samenhangen met de vernederende wijze waarop men bij de Triangel tegen vrouwen aankijkt'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENEN

De kern van klaagsters bezwaren, zoals deze zijn toegelicht ter zitting, is dat Lydia Vorrink een verband heeft gelegd tussen haar onderzoek uit 1983 naar de wijze van omgaan met vrouwenmishandeling binnen de Triangel en de klacht van vijf vrouwen over verkrachting en aanranding tegen een psycholoog van het instituut en de daarmee samenhangende strafzaak, zonder dat de Triangel in de gelegenheid is gesteld zich daarover uit te laten, met als gevolg diskwalificatie van de gehele staf van de Triangel.
Klaagster wijst erop dat het materiaal voor het onderzoek van Lydia Vorrink al betrekkelijk oud was, namelijk daterend uit 1983 en dat het onderzoek in 1984 is afgesloten. Doel van het onderzoek was een wetenschappelijk rapport en daartoe hebben medewerking en toestemming van de Triangel zich beperkt. Met de conclusies uit het rapport over vrouwenmishandeling was de Triangel het niet eens. Een bespreking van de bezwaren van de Triangel naar aanleiding van het concept-rapport van februari 1984 heeft slechts gedeeltelijk geleid tot veranderingen in de definitieve versie. Na het toezenden daarvan heeft geen enkel contact meer plaatsgevonden tussen Lydia Vorrink en de Triangel.
De klachten over verkrachting en aanranding tegen een bij de Triangel werkzame psycholoog zijn nieuwe feiten. Wanneer die in verband gebracht worden met een oud onderzoek dient de Triangel daarover te worden gehoord. Naar de mening van klaagster geeft de wijze waarop Lydia Vorrink in het artikel in Opzij gegevens en conclusies uit haar onderzoek heeft vermengd met de klachten over seksueel geweld tegen de bij de Triangel werkzame psycholoog een verkeerd beeld van de opvattingen van de Triangel over seksueel contact tussen therapeuten en cliënten.

Betrokkenen zijn van mening dat het artikel in Opzij geen onjuiste feiten bevat. Voorzover het om de beschrijving van het reageren op vrouwenmishandeling binnen de Triangel gaat is gebruik gemaakt van de gegevens uit het rapport, die onder meer gebaseerd zijn op met een bandrecorder opgenomen vraaggesprekken. Betrokkenen menen dat het Lydia Vorrink vrij staat conclusies te verbinden aan door haar geconstateerde feiten en een verband te leggen tussen haar onderzoek uit 1983 en de recent in de publiciteit gekomen aanklachten wegens seksueel geweld door een bij de Triangel werkzame psycholoog, hetzij in zijn privépraktijk, hetzij als therapeut van de Triangel. Betrokkene Vorrink heeft wel overwogen opnieuw contact op te nemen met de Triangel in verband met het artikel in Opzij. Zij heeft hier vanaf gezien omdat het standpunt van de aangevallen psycholoog al bekend was uit de verslagen van de openbare terechtzitting, terwijl tevens bekend was dat de Triangel zich achter de verdachte stelde.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel van Lydia Vorrink wordt een verband gelegd tussen de conclusie uit haar onderzoek uit 1983 naar het omgaan met vrouwenmishandeling binnen de Triangel en nadien bekend geworden klachten over seksueel misbruik van clientes en medewerksters van het instituut door een bij de Triangel werkzame psycholoog. Het artikel bevat de voor de Triangel zeer negatieve conclusie dat haar opvattingen over vrouwenmishandeling een voedingsbodem vormen voor het aan een strafrechtelijk onderzoek onderworpen seksueel misbruik van een bij de Triangel werkzame psycholoog. Naar het oordeel van de Raad had de schrijfster deze koppeling en die conclusie niet in een artikel openbaar mogen maken zonder de Triangel vooraf in de gelegenheid te stellen daar commentaar op te geven en in haar artikel vervolgens van dat commentaar melding te maken. Het gaat daarbij niet alleen om de bescherming van de belangen van de strafrechtelijk aangeklaagde maar nog niet onherroepelijk veroordeelde psycholoog, maar ook en vooral om recht te doen aan de opvattingen van de Triangel en om de bescherming van de goede naam van de aldaar werkzame andere stafleden.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat het artikel van Lydia Vorrink, nu dit leidde tot een zeer negatief oordeel over het therapeutisch klimaat bij de Triangel, niet gepubliceerd had mogen worden zonder klaagster met het daarin gelegde verband tussen een afgesloten onderzoek en nieuwe feiten te confronteren en zonder van het commentaar van klaagster in het artikel melding te maken.

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in Opzij.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 september 1986 door M.M.J.P. Verburgh, voorzitter, Mr. G. Dullens, Mw. Mr. T. Faber-de Heer, Mr. D.T. Dalmolen, Mw. A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

Rvdj 1986, 12.