1985/9 ongegrond

Van Warven contra J. Kuitenbrouwer

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van K. van Warven tegen J. Kuitenbrouwer.

Bij brief van 12 december 1984 met twee bijlagen van G.C. de Haas te Zeist heeft K. van Warven te Kampen (klager) een klacht ingediend tegen de journalist Jan Kuitenbrouwer (betrokkene). Deze heeft zich tegen de klacht verweerd bij brief van 14 april 1985. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 april 1985. Beide partijen waren in persoon aanwezig. Klager werd bijgestaan door G.C. de Haas.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de Haagse Post van 28 april 1984 is onder de titel 'Het laatste christelijke bolwerk' met als bovenkop 'Kampen' een artikel van betrokkene verschenen over het geloofsleven van bepaalde groepen protestanten in Kampen in Overijssel tegen de achtergrond van het feit dat in Kampen dertien kerken en zes instituten voor Hoger Onderwijs op christelijke grondslag gevestigd zijn.
In dit artikel van acht bladzijden wordt klager met naam en toenaam opgevoerd in onder
andere de volgende passage. 'Rinus is Nederlands Hervormd, bijna afgestudeerd aan de Synodale Theologische Hogeschool van Kampen, en net gisteren 'beroepen' als pastoraal medewerker bij de Vrijzinnig Hervormde Kerk van Kampen. Daarnaast opereert hij als freelance kerkelijk journalist voor onder meer Trouw en Hervormd Nederland, waarvoor hij momenteel, getuige het papier in zijn schrijfmachine, een beschouwing schrijft over hoe te denken over 'Diocanie in Crisistijd'. Voor een dominee zou je hem dan ook niet direct aanzien: halflang haar, een werkmansbroek en bordeelsluipers draagt hij, en zo om de maand heeft hij een nieuwe vriendin, terwijl hij hun talrijke voorgangsters opzichtig blijft zoenen als hij ze in het Kamper caféwezen treft, bijvoorbeeld in zijn stamkroeg, eetcafé De Moriaan'.

De klacht houdt in dat klager als persoon met naam en toenaam in het artikel wordt genoemd en dat hij wordt geciteerd. Klager stelt dat dit tegen de door hem met betrokkene gemaakte afspraak is. Deze hield in dat hij, klager, slechts als informant zou optreden en uitsluitend zodanig eventueel in het artikel genoemd zou worden. Dit betekent dat betrokkene alleen de door hem verstrekte feitelijke informatie zou mogen gebruiken. Zijn persoonlijke ontboezemingen vielen onder de aldus gemaakte 'off-the-record' afspraak. Naar de mening van klager heeft betrokkene misbruik gemaakt van het aan hem gegeven vertrouwen. Hij ontkent niet dat de citaten juist zijn. Niet juist is dat hij om de maand van vriendin wisselt. Hij heeft integendeel al twee jaar een vaste relatie. Onjuist is ook dat hij ten tijde van zijn contacten met betrokkene al pastoraal medewerker was. De onjuiste vermelding hieromtrent zou de indruk kunnen wekken dat hij met overschrijding van zijn beroepsgeheim aan betrokkene informatie heeft verstrekt.

Het verweer van betrokkene komt hierop neer dat deze de door klager gestelde afspraak ontkent.

Het is juist dat betrokkene hem tips zou geven voor contacten met anderen. Hij heeft hem echter ook benaderd om zelf als Kamper figuur informatie te geven. Volgens betrokkene is daarbij niet de beperking gemaakt dat dit laatste buiten de voorgenomen publikatie zou blijven. Klager heeft dit ook moeten begrijpen omdat hij, betrokkene, veel gebruik heeft gemaakt van een bandrecorder. Soms werd deze op verzoek van klager uitgeschakeld. Van niet-opgenomen gedeeltes van de gesprekken heeft betrokkene nooit gebruik gemaakt.
Ook in latere, door klager genoemde telefoongesprekken, is niet achteraf alsnog een autorisatie-afspraak gemaakt of enige andere afspraak omtrent het weglaten van bepaalde gedeeltes van mogelijk tijdens die telefoongesprekken door betrokkene voorgelezen passages. Achteraf bezien vindt betrokkene dat hij het gestelde over de veelvuldige wisseling van vriendinnen door klager beter achterwege had kunnen laten.

Naar het oordeel van de Raad is niet komen vast te staan dat betrokkene zich verplicht heeft klager slechts als zegsman op te voeren en zijn persoonlijke uitlatingen en meningen niet in de publikatie te gebruiken. De Raad moet er derhalve van uitgaan dat betrokkene die vrijheid wel had. De werkwijze met de bandrecorder, die niet telkens wanneer klager persoonlijk aan het woord kwam werd afgezet, wijst ook in die richting. Klager, die zelf freelance journalist is, had, mede gezien deze werkwijze, van zijn kant terughoudender moeten zijn bij het doen van zijn uitlatingen wanneer hij publikatie wilde vermijden. Klager kende immers het onderwerp van de voorgenomen publikatie en was er ook mee van op de hoogte dat het doel van het kerkbezoek mede gelegen was in het verkrijgen van een indruk van de reacties op de preek van de dominee.

Gezien het feit dat de door klager gestelde afspraak niet is komen vast te staan acht de Raad de klacht ongegrond, daar betrokkene ook overigens geen onzorgvuldigheid te verwijten valt in het gebruik dat hij heeft gemaakt van de door betrokkene verstrekte informatie.

De Raad heeft besloten deze beslissing slechts met weglating van de opgenomen citaten voor publikatie vrij te geven.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in de Haagse Post.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 april 1985 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, A.G. Scherphuis, J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 9.