1985/8 gegrond

K. de Klein contra J. Kuitenbrouwer

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van K. de Klein tegen J. Kuitenbrouwer.

Bij brief van 19 oktober 1984 met zeven bijlagen heeft Katrien de Klein te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist Jan Kuitenbrouwer (betrokkene). Bij brief van 19 november 1984 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 april 1985. Beide partijen hebben ter zitting in persoon hun standpunt nader toegelicht.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de Haagse Post van 21 juli 1984 is onder de titel 'De nu of nooit ouders' een artikel opgenomen van betrokkene over vrouwen, die pas tegen het naderen van de leeftijd van 40 jaar een kind krijgen. Het artikel beslaat zeven bladzijden, waarvan ongeveer twee gebruikt zijn voor foto's. In het artikel zijn vier à vijf kolommen van de tekst cursief afgedrukt. Deze kolommen beschrijven de ervaringen van Gemma de Groot en haar zoon Tomas, die aan het begin van het artikel geïntroduceerd zijn.
Ter voorbereiding van het artikel heeft betrokkene een vraaggesprek gehad met klaagster, die behoort tot bovengenoemde categorie vrouwen. Afgesproken werd dat klaagster het artikel voor de publikatie voorgelegd zou krijgen tenzij betrokkene haar anoniem en onherkenbaar zou maken. Autorisatie door klaagster zou derhalve alleen nodig zijn indien zij met haar eigen naam zou worden opgevoerd. Hiertegen, alsmede tegen het openbaar maken van de door haar verstrekte gegevens, had klaagster in beginsel geen bezwaar.

Haar klacht is dat betrokkene deze afspraak heeft geschonden. Weliswaar heeft zij in het artikel een andere naam gekregen, door de grote hoeveelheid persoonlijke gegevens is zij echter gemakkelijk herkenbaar. Dit is gebleken uit vele reacties, niet alleen van intieme bekenden, maar ook van personen uit een wijdere kring. Daar het artikel volgens klaagster een aantal onjuistheden en verdraaide feiten bevat, waardoor een verkeerd beeld wordt gegeven van haar persoon en handelen, voelt zij zich door het artikel ernstig benadeeld in haar goede naam.

De twee belangrijkste onjuistheden zijn de volgende.
1. Gesteld wordt dat de vader van haar kind bi-sexueel zou zijn.
2. Het wordt voorgesteld of zij een vijftien jaar bestaande vriendschap met een homofiel vriendenpaar binnen enkele weken na de bevalling abrupt beëindigd heeft omdat zij bij nader inzien haar kind niet wilde delen met deze als co-ouders aangezochte vrienden. In werkelijkheid is dit een proces van maanden geweest.
Ten aanzien van het artikel als geheel stelt klaagster nog het volgende: zij had niet verwacht min of meer als hoofdpersoon opgevoerd te worden. Bovendien ontbreekt in het
artikel een essentieel gedeelte van hetgeen zij in het interview naar voren heeft gebracht, namelijk haar opvattingen omtrent het combineren van werk en kinderen. Bij haar toezegging tot medewerking aan het artikel was zij ervan uitgegaan dat het accent vooral daarop zou liggen

De Raad vat het verweer van betrokkene als volgt samen.

De dead-line voor het inleveren van de tekst van het artikel was zondagavond 15 juli 1984. Op de donderdagavond en de vrijdagochtend daarvoor kreeg hij in twee gesprekken toevallig nadere informatie over klaagster en haar situatie, onder andere het feit dat de vader van het kind bi-sexueel zou zijn. Onder meer juist dit gegeven wierp een bepaald licht op de verhouding van klaagster en de vader, die immers wel biologisch vader wilde zijn maar geen verantwoordelijkheid voor het kind wilde dragen. Dergelijke details dragen bij tot het verkrijgen van een vollediger beeld over een bepaald soort moederschap waarover het artikel gaat. Volgens betrokkene heeft hij nimmer de bedoeling gehad uitsluitend te schrijven over de combinatie carrière/kind bij vrouwen, wel heeft hij het plan gehad over dit laatste een vervolgartikel te schijven. Omdat hij geen kans meer zag de aanvullende informatie bij klaagster te checken besloot hij haar persoon anoniem te maken. Daarmee verviel de verplichting de tekst van het artikel eerst aan klaagster voor te leggen. Herkenning door bekenden kan echter nooit uitgesloten worden.

Het oordeel van de Raad over deze zaak is als volgt.

Met klaagster is de Raad van mening dat zij door de vele uiterst persoonlijke gegevens voor een wijde kring van personen uit het artikel herkenbaar is. Betrokkene had dit kunnen en moeten begrijpen. Juist nu de persoonlijke levenssfeer van klaagster in het geding was en zo vele intieme bijzonderheden werden beschreven, had betrokkene hetzij de van derden over klaagster verkregen informatie aan haar moeten voorleggen en haar voor publikatie in de gelegenheid moeten stellen van de tekst van het artikel kennis te nemen, hetzij het anoniem maken van klaagster beter moeten uitvoeren

De Raad komt tot de slotsom dat betrokkene te makkelijk naar het middel van depersonificatie heeft gegrepen en dit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gebruikt, zodat de klacht gegrond is.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in de Haagse Post wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 april 1985 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber- de Heer, A. G. Scherphuis en J. M. P. J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 8.