1985/7 deels gegrond

P.M. de Nooij contra Ben van der Velden

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van P.M. de Nooij tegen Ben van der Velden.

DE KLACHT

Bij brief van 4 december 1984 met twee bijlagen heeft P.M. de Nooij te Apeldoorn (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist Ben van der Velden (betrokkene). Bij brief van 3 januari 1985 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. Partijen hebben hun standpunten nader schriftelijk toegelicht bij brief van 9 januari 1985 met zeven bijlagen respectievelijk bij brief van 15 januari 1985. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 1985. Partijen zijn akkoord gegaan met behandeling door de voorzitter met drie leden. Partijen waren in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In NRC-Handelsblad van 17 november 1984 is het eerste artikel verschenen binnen een serie over de situatie bij mensen, die door Sociale Diensten en verenigingen van uitkeringsgerechtigden gepresenteerd worden als 'echte minima'. Het artikel is geschreven door Ben van der Velden. Het omvat onder meer de navolgende passages.

'Nel, een 56-jarige vrouw in Apeldoorn die geen enkel contact meer heeft met ex-echtgenoot en drie dochters, heeft naast haar bijstandsuitkering zulke ingewikkelde financiën, dat ze er sinds kort een administratie voor heeft opgezet. Ze ontvangt regelmatig bedragen van 25 of 50 gulden van een kerk of van particulieren op haar girorekening. Als tegenprestatie stuurt ze aan die betalers fotocopieën van haar commentaren op artikelen over echte minima, aangevuld met een overzicht van haar laatste maandbudget. Ze rekent voor die fotocopieën, die ze dikwijls kosteloos maakt, een bedrag dat ze in haar administratie aftrekt van het geld dat haar abonnees hebben overgemaakt. Blijkt vervolgens dat iemand genoeg fotocopieën voor zijn geld heeft ontvangen, dan stuurt Nel een aanmaning om nieuw geld op haar girorekening te storten. Langdurig rood staan in Nels administratie leidt tot het niet meer ontvangen van haar opinies'.
'Maar directeur Jan de Boer van de Leeuwardense Sociale Dienst, die zelfs door sommige van zijn collega's te militant wordt genoemd, schuift de taboe-barrière even opzij. 'Natuurlijk is voeding en kleding bij de minima geen probleem. Iedereen die zegt dat dit wel zo is overdrijft de zaak.' Toch blijkt een alleenstaande vrouw drastisch in haar voedingsgewoonten te hebben ingegrepen. Ze eet in het geheel geen warme maaltijd meer, krijgt van de huisarts pillen om niet te verzwakken. Het stoppen met warme maaltijden was voor haar echter meer een principebesluit dan een bezuiniging. Ze wil armoede ervaren om zich goed te kunnen inzetten voor de belangen van alleenstaanden.
Goed eten ziet ze als een gevaar, 'ik laat mezelf niet met eten monddood maken'. Toen zij vorig jaar een kerstpakket kreeg, gaf ze dat snel door aan anderen. 'Als ik bevoorrecht wordt, ben ik monddood gemaakt'. Beter eten past niet bij haar bijna religieuze roeping om met op haar balkon gekweekte tomaten ellende te ervaren'.

Beide passages slaan op de situatie van klaagster, die door betrokkene werd geïnterviewd. In haar strijd om verbetering van de situatie van 'Vrouwen in de Bijstand' schrijft zij commentaren op artikelen over de echte minima en verzorgt zij ook andere informatie.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster, die in vele opzichten ernstig teleurgesteld is over het gebruik dat betrokkene heeft gemaakt van de talrijke door haar verstrekte gegevens over de positie van de 'echte minima' en meent dat door de wijze waarop betrokkene die gegevens heeft verwerkt een vertekend beeld is ontstaan, voelt zich in het bijzonder gegriefd door de hiervoren aangehaalde passages waartegen zij de volgende bezwaren heeft.
In de eerste passage wordt de indruk gewekt als zou zij copieën die zij zelf gratis maakt, wel in rekening brengen aan afnemers van haar commentaren en informatie, waardoor zij bovendien fraude zou plegen tegenover de Sociale Dienst. De woorden 'ingewikkelde financiën' wekken de suggestie als zou haar financiële administratie ondoorzichtig zijn. Het tegendeel is het geval. Klaagster deelt mee dat zij juist precies bijhoudt welke kosten zij wegens fotocopieën, enveloppen en porti voor iedere afnemer maakt. Afnemers die een voorschot betaald hebben, krijgen een waarschuwing wanneer dat voorschot verbruikt raakt in de vorm van een overzicht van de gemaakte kosten. Dergelijke kostenoverzichten zijn geen aanmaningen tot betaling. Het is juist dat zij afnemers, die in gebreke blijven met het vergoeden van de gemaakte onkosten, geen nieuwe informatie meer zendt. De reden is dat haar eigen beperkte financiële middelen (bijstandsuitkering) dit niet toelaten. In de tweede passage wordt naar de mening van de klaagster ten onrechte niet vermeld dat zij een maag- en galdieet moet houden en dat de kosten hiervan niet voldaan kunnen worden uit haar bijstandsuitkering. Dit is de reden waarom zij geen warme maaltijden meer gebruikt. Ook de weigering van het kerstpakket houdt hiermee verband: het pakket bevatte veel produkten, die zij niet mag gebruiken. Betrokkene meent dat de eerste passage geen beschuldiging van fraude inhoudt. Met name de zin 'Ze rekent voor die fotocopieën (...) hebben overgemaakt', houdt niet de conclusie in dat klaagster er zelf beter van wordt. Wat betreft het woord 'aanmaning': het wijzen op een tekort met als sanctie het niet meer toesturen van informatie is inhoudelijk een aanmaning.

Betrokkene erkent dat klaagster hem inderdaad gesproken heeft over haar dieet. Waar het hem om ging was dat klaagster de kosten van voeding als sluitpost liet fungeren, zulks in tegenstelling tot alle andere door hem geïnterviewde personen. In hoeverre dit door het dieet van klaagster veroorzaakt werd, was daarbij naar de mening van betrokkene niet van belang. Het ging om het principe. Betrokkene ontkent dat klaagster als reden voor de weigering van het kerstpakket haar dieet noemde. Als argument voor het weigeren van bijzondere hulp noemde zij haar principe zich niet monddood te willen laten maken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel, dat de passage over de 'ingewikkelde financiën' van klaagster ten onrechte de indruk wekt, dat klaagster 'naast haar bijstandsuitkering' neveninkomsten verwerft. De in die passage voorkomende zin, luidende: 'Ze rekent voor die fotocopieën, die ze dikwijls kosteloos maakt, een bedrag..." enzovoorts maakt namelijk niet duidelijk, dat kosteloos gemaakte fotocopieën ook gratis worden verstrekt, doch wekt integendeel de suggestie dat ook daarvoor een bedrag wordt afgetrokken van het aan klaagster overgemaakte geld. De Raad acht het echter aannemelijk, dat klaagster met het maken en verzenden van de fotocopieën geen enkel financieel voordeel behaalt of beoogt te behalen. In verband hiermee is ook het gebruik van het woord 'aanmaning' ongelukkig, aangezien dit woord niet past bij verzoeken van klaagster om vrijwillige vergoeding van door haar gemaakte kosten. Door het gebruik van dit woord wordt de onjuiste indruk versterkt, dat klaagster niet opgegeven neveninkomsten zou genieten.

De Raad meent dat in de passage over de plaats van de kosten van voeding in het budget van klaagster de omstandigheden van haar dieet beter wel vermeld had kunnen worden. Het besluit tot wijziging van haar voedingsgewoonte van klaagster was dan veel duidelijker geworden. De Raad meent echter dat hierdoor geen inbreuk gedaan is aan het algemene beeld van de minima op dit punt.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene, door bij de beschrijving van de financiële administratie van klaagster voormelde onjuiste indruk te wekken, onzorgvuldig heeft gehandeld en acht de klacht in zoverre gegrond. Voor het overige wijst de Raad de klacht af.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in NRC-Handelsblad.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 23 maart 1985 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. G. Dullens, Drs. J. M. M. van de Pluijm en Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

Rvdj 1985, 7.