1985/6 ongegrond

Mevrouw van S. contra de hoofdredacteur van de ZC

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van mevrouw van S. tegen de hoofdredacteur van de Zoetermeerse Courant.

Bij brief van 29 november 1984 heeft mevrouw van S. (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Zoetermeerse Courant (betrokkene). In zijn brief van 10 januari 1985 heeft de heer D. M. W. Toet, adjuncthoofdredacteur zich verweerd. Hierop is nog een schriftelijke reactie van klaagster d.d. 21 januari 1985 ontvangen. De zaak is ter zitting van de Raad op 7 maart 1985 behandeld. Klaagster verscheen in persoon en namens betrokkene waren aanwezig de heren D. M. W. Toet. J. Pak en F. Gevers.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten:

In de editie van 20 november 1984 van de Zoetermeerse Courant verscheen een artikel onder de titel 'Vrouw vecht stopzetting uitkering aan' In het artikel wordt klaagsters actie vermeld bij het gebouw van de Sociale Verzekeringsraad in Zoetermeer teneinde haar stopgezette WAO-uitkering terug te krijgen. Daarbij wordt tevens, tamelijk uitgebreid, ingegaan op klaagsters achtergrond. Zij had in 1981 bij een roofoverval op haar in de Bijlmermeer op haar jeugdige overvallers geschoten. De te dezer zake tegen klaagster ingestelde strafrechtelijke vervolging is met een vrijspraak geëindigd. In het artikel wordt klaagster met haar volledige naam genoemd en met vermelding van haar woonplaats. Op de ochtend van de 20ste november 1984 had klaagster, alvorens naar het gebouw van de Sociale Verzekeringsraad te gaan, de redactie van de Zoetermeerse Courant gebeld. Zij vertelde daarbij over haar bezettingsactie van de vorige dag en vermeldde tevens haar achtergrond. Zij was op de 19e november het gebouw van de Sociale Verzekeringsraad ingegaan en daar gebleven met de bedoeling eerst te vertrekken wanneer haar WAO-uitkering zou worden voortgezet. Onder begeleiding van de politie had zij 's avonds uiteindelijk het gebouw verlaten met de toezegging dat de volgende dag de zaak zou worden besproken met haar. De nacht had zij doorgebracht in een crisiscentrum in Den Haag. In de ochtend van de 20ste heeft een redacteur van de Zoetermeerse Courant in het SVR-gebouw kort contact met haar gehad. Zij verzocht hem toen om weg te gaan met de afspraak dat zij hem 's middags over het verloop van de actie zou bellen. In het artikel wordt vermeld dat zij bij haar actie op de 19e november met zelfmoord had gedreigd alsmede dat zij volgens de politie in psychische moeilijkheden verkeerde. Klaagster heeft 's middags de 20ste met de desbetreffende redacteur gebeld en hem verzocht niet zonder haar toestemming te publiceren. Het bewuste artikel was inmiddels echter al verschenen.

Klaagster heeft een drietal bezwaren tegen het artikel aangevoerd:

de krant had niet mogen publiceren alvorens zij daartoe toestemming had gegeven; de vermelding van haar volledige naam in het artikel; de onjuistheid dat zij met zelfmoord zou hebben gedreigd. Wat het laatste betreft stelt klaagster dat zij tegen de politieagent had gezegd dat zij niet voor zichzelf zou instaan wanneer deze haar zonder een schriftelijke rapportage in te stellen zo weer op straat zou zetten.

Betrokkene zegt dat klaagster 's ochtends de 20ste onder eigen naam en met aanduiding van haar verleden bewust publiciteit heeft gezocht voor haar actie bij de Sociale Verzekeringsraad. Klaagster heeft op dat moment geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van publikatie en evenmin verzocht haar naam niet voluit te vermelden. Het artikel is opgebouwd uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel geeft de actie van klaagster weer en de gemoedstoestand waarin zij zich de ochtend van de 20ste november bevond. Het tweede onderdeel bevat informatie die door de politie over de actie is verstrekt waaronder de mededeling dat zij met zelfmoord dreigde. Het laatste onderdeel is opgesteld over haar achtergrondsituatie, aan de hand van archiefgegevens. De actie van klaagster bevatte alleen vanwege haar bijzondere omstandigheden nieuwswaarde. Wanneer het betrokkene gevraagd was zou hij de volle naamsvermelding achterwege hebben gelaten. Nu klaagster daarom niet verzocht meende betrokkene dat zij geen bezwaar tegen haar naamsvermelding had, temeer daar deze van belang kon zijn voor haar actie bij de Sociale Verzekeringsraad.

De Raad constateert dat klaagster welbewust publiciteit voor haar actie heeft gezocht. Daarbij heeft zij zich onder eigen naam kenbaar gemaakt en haar bijzondere omstandigheden vermeld. In dat gesprek heeft zij op geen enkele wijze gesteld dat zonder haar toestemming niet mocht worden gepubliceerd en evenmin aangegeven dat haar naam niet mocht worden vermeld. Haar afspraak--op een later moment-met de redacteur dat zij hem 's middags zou berichten over het verdere verloop behoefde niet als een zodanig voorbehoud te worden opgevat. De Raad kan betrokkene volgen in zijn inschatting dat klaagster welbewust onder haar eigen naam publiciteit zocht. Het onderdeel van de klacht ten aanzien van de dreiging met zelfmoord betreft een op zich correcte weergave van mededelingen van de zijde van de politie en treft om deze reden geen doel.

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van 7 maart 1985 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, Mw. Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Mr. F. Kuitenbrouwer, Mw. T. Lücker in aanwezigheid van Mw. Mr. M. P. Galama-Kuipers, plaatsvervangend secretaris.

RvdJ 1985, 6.