1985/3 ongegrond

Aktiekomitee P.G. contra John Beckers

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van het Aktiekomitee Pro Gastarbeiders tegen John Beckers

DE KLACHT

Bij brief van 16 juli 1984 met bijlage en schriftelijke aanvulling daarop van 31 augustus 1984 heeft het Aktiekomitee Pro Gastarbeiders te Rotterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist John Beckers te Nieuwegein (betrokkene). Bij brief van 5 november 1984 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 februari 1985. Namens klaagster is verschenen mevrouw N. W. Soetens, voorzitster van het Komitee, en mr. A. Thomassen als juridisch adviseur. Betrokkene liet de Raad telefonisch weten verhinderd te zijn.

DE FEITEN

In de aflevering van 27 juni 1984 van het tweewekelijks verschijnende jongerentijdschrift Jeugdwerk Nu is een artikel verschenen van John Beckers over het functioneren van het Aktiekomitee Pro Gastarbeiders te Rotterdam. Het artikel heeft de volgende kop: 'Paternalisme botste met veranderende werkelijkheid onder Marokkaanse jongeren'. Blijkens de inleiding op dit artikel zullen daarin de volgende vragen onderzocht worden. 'Waar houdt je ondersteuningsfunktie als organisatie op wanneer je je inzet voor de belangen van buitenlandse jongeren? Wanneer maak je de jongeren afhankelijk van die steun en rem je daarmee de weg naar zelfstandigheid af? Durf je op een bepaald moment ook te zeggen dat je de jongeren niks meer te bieden hebt of blijf je als organisatie doorgaan, omdat je denkt de enige te zijn die weet wat 'goed' voor hen is?'
In het artikel wordt een conflict beschreven dat is ontstaan onder Marokkaanse jongeren te Rotterdam. Een deel van deze Marokkanen heeft zich volgens het artikel afgewend van het Aktiekomitee Pro Gastarbeiders, dat al 15 jaar actief is om de buitenlanders in onze samenleving sterk te maken. Het artikel spreekt van een vlucht van deze jongeren naar de Rotterdamse Pauluskerk samen met jongerenwerker Ibrahim Al Baz, die van september 1983 tot januari 1984 bij het Aktiekomitee heeft gewerkt. Volgens het artikel zouden bestuursleden van het Aktiekomitee spreken over 'rot-Marokkanen' en zou het Komitee samenwerken met de politie ten nadele van de jongeren. In het artikel wordt ook Nel Soetens, als voorzitster van het Komitee, aan het woord gelaten.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster heeft bezwaar tegen de strekking van het artikel, alsmede tegen een aantal daarin genoemde feiten, die volgens haar onjuist zijn. Er is een gesprek geweest met Nel Soetens, dat volgens deze slechts ongeveer 20 minuten heeft geduurd. Zij stemde toe in dit gesprek op de voorwaarde dat het zou gaan over het jongerenwerk in het algemeen en niet over het conflict rond de jongerenwerker Ibrahim Al Baz en de afsplitsing van de Pauluskerk. Toen haar tijdens het gesprek bleek dat betrokkene het juist wel over dit laatste wilde hebben en daarover al veel informatie had vergaard, heeft zij gevraagd het artikel voor publikatie te mogen inzien. Betrokkene heeft zich hieraan gehouden, maar de verwachting van Nel Soetens dat zij dan ook de gelegenheid zou krijgen wijzigingen in het artikel aan te brengen of daarop middels een naschrift of op andere wijze te reageren werd niet gehonoreerd. Naar aanleiding van haar commentaar werd slechts een enkele kleine en niet essentiƫle wijziging aangebracht. Ook na publikatie van het artikel is in een telefoongesprek met de redactie van het tijdschrift gevraagd om een weerwoord in enige vorm, zonder resultaat.

Betrokkene heeft in zijn verweerschrift gesteld dat het gesprek met Nel Soetens meer dan twee uur heeft geduurd. Volgens betrokkene zijn alle door hem vermelde feiten behoorlijk onderzocht. In het verweerschrift wordt niet ontkend dat door klaagster voor publikatie om een gelegenheid tot weerlegging van bepaalde feiten is gevraagd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad ziet het artikel van betrokkene als een persoonlijke beschouwing over een bepaald probleem waarin duidelijk herkenbaar een persoonlijke visie daarop wordt gegeven. Wel draagt het stuk een sterk feitelijk karakter. Gezien de negatieve belichting van het functioneren van klaagster is aannemelijk dat hieruit mogelijk schadelijke gevolgen voor klaagster voortvloeiden. Om deze reden meent de Raad dat betrokkene er goed aan had gedaan klaagster een weerwoord in enige vorm toe te staan. Hoewel het derhalve naar het oordeel van de Raad te betreuren is dat dit niet is gebeurd, brengt dit nog niet dat hij daarmee de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat, hoewel het op de weg van betrokkene had gelegen klaagster een weerwoord in enige vorm toe te staan, de omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan onvoldoende reden oplevert de klacht gegrond te verklaren.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 21 februari 1985 door Mr. R. de Waard, voorzitter, J. L. de Troye, O. Postma ing., Drs. H. W. M. van Run en J. M. P. J. Verstegen, leden in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 3.