1985/27 ongegrond

M. J. Dörr contra Haarlems Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van M. J. Dörr tegen de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad.

Per brief van 18 oktober 1985 met 4 bijlagen heeft M. J. Dörr te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad (betrokkene). In een brief van 18 november 1985 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 december 1985. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen. Klager heeft ter zitting een schriftelijke reactie op het verweer van betrokkene overhandigd. Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 18 december 1985.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In 1981 is door de rechtbank te Haarlem het faillissement uitgesproken van klager in privé en de besloten vennootschap Finance Service B.V.. Klager was directeur van die vennootschap. Dit faillissement is nog niet afgewikkeld. Klager is in de loop van dit faillissement gedurende 1 1/2 jaar gegijzeld geweest omdat hij volgens de rechter-commissaris en / of de curator in de beide faillissementen geen of onvoldoende inlichtingen verstrekte. Klager is in 1984 veroordeeld wegens oplichting. Tegen dit vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld. Dit beroep is nog niet behandeld. Klager is in februari 1985 gearresteerd wegens de verdenking van steunfraude. In dezelfde maand werd door de politie een inval gedaan in het huis van de vriendin van klager in Hoorn. Bij die inval werden bescheiden gevonden met betrekking tot de failliete vennootschap van klager.

In het "Haarlems Dagblad" van 16 februari 1985 is onder de kop 'Zwendelaar van Finance Service zit weer vast' een bericht verschenen over de arrestatie van klager wegens steunfraude. In het Haarlems Dagblad van 23 februari 1985 is onder de kop 'Zoekgeraakte papieren van failliete B.V. terecht' aandacht besteed aan de inval van de Haarlemse recherche in het huis van de vriendin van klager in Hoorn.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager is van oordeel dat de beide publikaties op een aantal onderdelen onwaarheid, smaad en/of laster bevatten. Zijn belangrijkste grieven zijn daarbij de volgende.
a. De kop 'Zwendelaar van Finance Service zit weer vast' is voorbarig. Naar de mening van klager mocht betrokkene hem niet als zwendelaar bestempelen omdat hij tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij hij tot oplichting is veroordeeld, in hoger beroep is gegaan. Dit hoger beroep is nog niet behandeld en er is derhalve nog geen onaantastbare rechterlijke uitspraak
b. De kop 'Zoekgeraakte papieren van failliete B.V. terecht' en de daarbij behorende mededeling 'De bij de inval aangetroffen bescheiden zijn nieuw voor onderzoeksrechter Mr. Westenberg' zijn onjuist. Volgens klager gaat het om stukken, die begin december 1983 door hem aan de curator ter hand zijn gesteld en die toen ook toegevoegd zijn aan het dossier van de rechtbank.
c. De zin 'Een groot aantal klanten van Finance Service is voor honderdduizenden guldens het schip ingegaan na zaken met de man te hebben gedaan' suggereert dat hij, klager, de schuldige is en geprofiteerd heeft van de gedupeerden. Volgens klager is dit onjuist en is hiervoor ook geen bewijs. Het faillissement is de oorzaak van door een aantal relaties geleden nadeel.
d. Onjuist is tenslotte volgens klager de mededeling dat hij 'werd gearresteerd in verband met steunfraude'. Er was niet meer dan een verdenking van steunfraude.

Klager acht zich door de beide publikaties geschaad in zijn goede naam. Het gevolg zal zijn dat hij geen kredieten meer zal krijgen. Hoewel hij niet met name genoemd staat in de publikaties zal iedereen hem eruit herkennen wegens het verband met eerdere publikaties. De journalist had hem tenminste moeten horen. In het algemeen had duidelijk gemaakt moeten worden dat het gaat om een aantal zaken, die nog niet vast staan.

Betrokkene heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.

De veroordeling wegens oplichting van de Haarlemse rechtbank rechtvaardigt het gebruik van het woord zwendelaar. Het feit dat klager hoger beroep heeft ingesteld doet hieraan niet af en maakt gebruik van die term niet onzorgvuldig. De overige door klager aangevallen passages betreffen alle mededelingen van de politie en curator of rechter-commissaris terwijl bovendien ook de advocaat van klager nog is gehoord. Een en ander blijkt duidelijk uit de publikaties. Dat het gaat om mededelingen van anderen of om zaken, die nog niet vast staan blijkt ook uit het gebruik van het woord 'zou' op verschillende plaatsen waar mededelingen gedaan worden over bepaalde gedragingen van klager.
Wat betreft de arrestatie wegens steunfraude, betrokkene meent dat het niet onzorgvuldig is daarbij niet uitdrukkelijk te vermelden dat het gaat om verdenking van steunfraude. Bij iedere arrestatie wegens een strafbaar feit geldt immers dat het begaan van dat feit pas als vaststaand mag worden aangenomen nadat de rechtbank daarover heeft geoordeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of betrokkene de justitiële geschiedenis van klager mocht noemen in twee publikaties over recente nieuwsfeiten, die betrekking hadden op de persoon van klager en het faillissement van zijn B.V., ook al is die geschiedenis nog volop in beweging. De Raad constateert dat de kwalificatie van klager als zwendelaar gebaseerd is op een veroordelend vonnis wegens oplichting. De Raad acht onder deze omstandigheden een dergelijke kwalificatie niet onzorgvuldig. Dat wordt niet anders nu het veroordelend vonnis in hoger beroep nog vernietigd kan worden. De overige door klager aangevallen uitlatingen zijn gebaseerd op mededelingen van de rechtercommissaris, de curator of de politie. Een journalist mag op dergelijke bronnen afgaan. Door de advocaat van klager te horen heeft betrokkene ook de kant van klager aan bod laten komen. Bewoordingen als 'het schip ingegaan na zaken met de man te hebben gedaan' en 'gearresteerd in verband met steunfraude' acht de Raad geen laakbaar onzorgvuldige weergave van feiten.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene niet onzorgvuldig heeft gehandeld door in twee publikaties over klager en zijn B.V. mededelingen te doen over een aantal justitiële feiten, die de persoon van klager en zijn B.V. betreffen daar deze mededelingen gebaseerd zijn op rechterlijke uitspraken of informatie van autoriteiten, waarop betrokkene af mocht gaan. De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Haarlems Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 december 1985 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, O. Postma ing., A. G.. Scherphuis en Drs. H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 27.