1985/25 gegrond

J. Prins contra Het Vrije Volk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van J. Prins tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk

Bij brief van 12 juli 1985 met drie bijlagen heeft J. Prins te Breda (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk (betrokkene). Tegen de klacht is verweer gevoerd door de adjunct-hoofdredacteur van Het Vrije Volk bij brief van 30 juli 1985 met één bijlage. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 december 1985. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkene verscheen de adjunct-hoofdredacteur G. J. Laan.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In Het "Vrije Volk" van 8 juni 1985 is een interview gepubliceerd met vakbondsman Siep Dorenbos. Naar aanleiding hiervan heeft de Aktiegroep Verontruste Abva/Kabo-leden een open brief gestuurd aan het hoofdbestuur van de Abva/Kabo. Een kopie van die brief werd gezonden naar de redactie van Het Vrije Volk. Klager is één van de ondertekenaars van deze brief. Onderwerp van de brief is o.a. onvrede van een aantal leden van de vakbond Abva/ Kabo met het beleid van het bestuur van deze vakbond met name in verband met de invloed van de overheidsbezuinigingen op de salarissen en de rechtspositie van de ambtenaren.
In Het Vrije Volk van 11 juli 1985 is onder de tussen aanhalingstekens geplaatste kop 'Abva Kabo heult met onze vijand' (boven deze kop staat in kleinere letters 'leden kwaad op bestuur') een artikel verschenen over deze open brief en de achtergronden daarvan. In dit artikel komt de volgende passage voor:

'Woordvoerders van de leden zijn J. H. Everwijn en J. Prins, respectievelijk voorzitter van de personeelsvereniging en redacteur van het personeelsblad.

'Rijk'

Achtergrond van de felle verwijten is, dat het personeel van de Maasvlaktecentrale na de 'rij
ke' jaren zeventig de meeste van z'n verworvenheden hebben moeten inleveren. De werknemers kregen vanwege de geïsoleerde ligging van de centrale de beschikking over tennisbanen, sportvelden, een mooi bedrijfsrestaurant met twee chef-koks en goede secundaire arbeidsvoorzieningen. Zo konden zij op kosten van de baas per taxi naar huis gaan, een paar uur eerder als zij vrij namen. Hoewel zij officieel 38 uur moesten werken bereikten zij zonder inlevering van koopkracht een 32-urige werkweek. Veel van die zaken zijn inmiddels teruggedraaid en volgens hen met medewerking van de Abva/Kabo in Rotterdam. Op dit moment zitten de meeste werknemers thuis, omdat de Maasvlaktecentrale wordt omgebouwd voor kolenstook'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager heeft tegen het artikel de volgende bezwaren naar voren gebracht.
1. De tussen aanhalingstekens geplaatste kop van het artikel suggereert ten onrechte dat het hier om een citaat gaat uit de open brief. In de brief worden de werkgevers echter nergens met 'vijand' aangeduid. Wel is de werkgever de natuurlijke tegenstander van de werknemer. In de open brief wordt daarom deze laatste aanduiding gebruikt.
2. Het artikel bevat een aantal feitelijke onjuistheden. Het wordt voorgesteld alsof de werknemers van het GEB bij de Centrale Maasvlakte met luxe omringd werden. De werkelijkheid is dat het bedrijf een normale kantine heeft met één kok. Er is één voetbalveld. De vervoersfaciliteiten zijn nodig omdat de dichtstbijzijnde opstapplaats van het openbaar vervoer 17 kilometer van de werkplaats verwijderd is. Absoluut onjuist is dat zonder inlevering van koopkracht een 32urige werkweek werd bereikt of dat vanwege de ombouw van de Centrale in het geheel niet gewerkt behoeft te worden door een aantal werknemers.
3. De open brief is niet afkomstig van werknemers van de Centrale Maasvlakte in het bijzonder. Een groot deel van de ondertekenaars werkt bij de Centrale Waalhaven.

Betrokkene handhaaft zijn mening dat het artikel zich terecht concentreert op ontevredenheid bij de werknemers van het GEB bij de Centrale Maasvlakte wegens het verdwijnen van bepaalde voorrechten als gevolg van de bezuinigingsmaatregelen en de ombouw van de centrale. Hieraan doet niet at dat de open brief niet alleen door werknemers bij de Centrale Maasvlakte getekend is maar ook door anderen. Onjuist is in ieder geval dat de open brief van 19 juni slechts ingegeven zou zijn door onvrede van leden van de Abva/Kabo over de vakbondsbestuurders in het algemeen.
Betrokkene erkent dat het artikel een aantal naar zijn mening kleine onjuistheden bevat. Deze zijn recht gezet in een vervolgartikel van 16 juli 1985.
Betrokkene handhaaft echter met name de stelling dat de werknemers bij de Centrale Maasvlakte zonder inlevering van koopkracht in de praktijk slechts een 32-urige werkweek hebben al is dat op papier wellicht anders. Betrokkene handhaaft eveneens dat een aantal werknemers in verband met de ombouw van de centrale thuis zitten. Betrokkene beroept zich hierbij op zegslieden binnen de kring van het GEB. Betrokkene is niet bereid zijn bronnen nader aan te geven. Hij erkent dat hij niet gesproken heeft met werknemers van het GEB bij de Centrale Maasvlakte zelf.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad betreft de klacht in hoofdzaak de vraag of betrokkene zijn feitelijke stellingen, voorzover deze niet zijn rechtgezet in het vervolgartikel van 16 juli 1985, kan waarmaken nu een aantal daarvan door klagers wordt betwist en nu met name de bewering betreffende de duur van de werkweek van de werknemers van het GEB van de Centrale Maasvlakte als een kwetsende beschuldiging kan worden opgevat. Betrokkene heeft volstaan met de mededeling dat hij zich baseert op uitlatingen van zegslieden binnen de kring van het GEB.
Wanneer een journalist geconfronteerd wordt met een gemotiveerde klacht over een onjuistheid van door hem gepubliceerde feiten waardoor iemand zich redelijkerwijs gekwetst kan voelen, zal hij, indien hij zijn bronnen niet wil noemen, voldoende aannemelijk moeten maken waarom hij zich volledig op die bronnen mocht verlaten. In het onderhavige geval heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op de hem door zegslieden uit de kring van het GEB verstrekte informatie mocht afgaan zonder nadere verifiëring bij de Centrale Maasvlakte zelf. De Raad meent dat betrokkene in zoverre onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager.
Ten aanzien van de tussen aanhalingstekens geplaatste kop oordeelt de Raad als volgt. Weliswaar komt het woord 'vijand' niet voor in de open brief, de Raad acht echter de strekking van de kop in overeenstemming met de inhoud van de open brief, waarin toch termen als 'collaboratie', 'heulen' en 'natuurlijke tegenstander van de werknemer' voorkomen. Dit neemt niet weg dat, nu het geen letterlijk citaat betreft, geen aanhalingstekens hadden mogen worden gebruikt.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aantal feitelijke, voor klager belastende beweringen, waarvan de juistheid door klager betwist is, voldoende heeft geverifieerd en dat betrokkene in zoverre onzorgvuldig heeft gehandeld.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in Het Vrije Volk.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 december 1985 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, O. Postma ing., Drs. H. W. M. van Run en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris

RvdJ 1985, 25.