1985/22 deels gegrond

Ingo Schnabel contra Leeuwarder Courant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Ingo Schnabel tegen J. Noordmans, drs. A. F. M. van Vree en Rudy Hodel.

Namens Ingo Schnabel te Heerenveen (klager) heeft mr. C. J. Groenewegen bij klaagschrift van 10 juni 1985 met zes bijlagen een klacht ingediend tegen J. Noordmans en drs. A. F. M. van Vree, beiden hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant en Rudy Hodel, kunstcriticus, (betrokkenen). Bij brief van 22 juli 1985 met acht bijlagen heeft drs. A. F. M. van Vree zich namens betrokkenen tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitten van de Raad van 26 september 1985. Klager was in persoon aanwezig samen met zijn raadsman mr. C. J. Groenewegen. Namens betrokkenen verscheen drs. A. F. M. van Vree.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten. Klager is beeldend kunstenaar en heeft deelgenomen aan de eind maart 1985 geopende expositie van Friese schilderkunst 'Friese kunst anno 1984' te Drachten. In de Leeuwarder Courant van 29 maart 1985 heeft Rudy Hodel deze expositie besproken. Zijn stuk draagt de titel 'Vreugdeloze 'salon des refus├ęs". Bij het artikel is een foto afgedrukt van een kleurpotloodtekening van klager. In het stuk komen onder meer de volgende passages voor:

'Ten tweede is daar het door verschillende leden van de provinciale aankoopcommissie geconstateerde bedrog. Van kunstenaars als Marian Beek, Stines Veldkamp, Peter Bonnema, Ingo Schnabel, Wim van der Veer en Jan F.van der Bij is vastgesteld, dat zij ander werk voor deze tentoonstelling hebben ingezonden dan zij vorig jaar in het Provinciehuis ter beoordeling aanboden'.
'Deze jonge Heerenvener heeft duidelijk het werk van de geniale Amerikaanse voyeur Eric Fischl bestudeerd. De scherpe observatie van de blote kindertjes, de intimiteit van hun vrijetijdsspel en de latente erotiek lijken rechtstreekse ontleningen'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENEN

Klagers bezwaren, die zich uitsluitend richten tegen de boven aangehaalde passages, vat de Raad als volgt samen.
1. Het oordeel van Rudy Hodel over het werk van klager bevat ten onrechte de beschuldiging dat klager de Amerikaan Eric Fischl klakkeloos navolgt en suggereert ten onrechte dat het werk van klager een erotische lading heeft. Deze aantijging is onterecht omdat klager het werk van Eric Fischl niet kende en dus ook nimmer heeft bestudeerd. Zijn observaties van kinderen zijn vrij van erotiek. Door de kritiek is bij het publiek de indruk gewekt dat klager een ongezonde erotische belangstelling voor blote kinderen heeft. Klager heeft dit ondervonden door anonieme telefoontjes en andere negatieve reacties. Hij heeft door de kritiek derhalve schade geleden.
2. Anders dan in de kritiek wordt gesuggereerd heeft klager bij de inzending van werk voor de expositie geen bedrog gepleegd. Hij was onbekend met het feit dat de expositie bedoeld was als protest tegen het beleid van de Provinciale Aankoopcommissie naar aanleiding van de in 1984 gehouden tentoonstelling in het Provinciehuis te Leeuwarden. Bij de tentoonstelling in Drachten ging het niet om door de Aankoopcommissie geweigerde werken maar om de makers van geweigerd werk. Het stond die makers daarom vrij voor de expositie van Drachten ander werk in te sturen dan voor die te Leeuwarden.
3. Het derde bezwaar van klager betreft het feit dat betrokkenen geweigerd hebben zijn naar aanleiding van de kritiek ingezonden brief van 1 april 1985 te plaatsen.

Betrokkenen hebben het volgende verweer gevoerd.
1. De verwijzing in de kritiek naar het werk van Eric Fischl is geen feitelijke mededeling maar houdt de subjectieve visie in van de criticus over het werk van klager. Op de criticus heeft dit werk de indruk gemaakt van navolging van Fischl. Een dergelijk oordeel, evenals dat m. b.t. de al dan niet erotische lading van klagers werk, staat een criticus vrij.
2. De zinsnede over door een aantal deelnemende kunstenaars gepleegd bedrog, betreft de constatering van verschillende leden van de Provinciale Aankoopcommissie en niet de mening van de criticus zelf. De criticus geeft hier de mening van anderen weer, hetgeen geoorloofd is.
3. Het is vast beleid bij de Leeuwarder Courant dat ingezonden brieven over kritieken niet worden opgenomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad beoordeelt de klacht als volgt.
1. Oppervlakkige lezing van de passage waarin het werk van klager vergeleken wordt met dat van Eric Fischl kan de indruk wekken dat klager volgens betrokkene deze kunstenaar bewust navolgt. Een dergelijk oordeel valt binnen de vrijheid, die een criticus heeft. Het gaat daarbij immers om een subjectieve mening, die tot op grote hoogte los staat van de vraag of er daadwerkelijk sprake van navolging is. Ook wanneer dat niet het geval is houdt een dergelijke vergelijking nog geen onoirbare beschuldiging van plagiaat in. Evenmin behoeft de criticus rekening te houden met nadelige effecten van zijn kritiek, daargelaten de vraag in hoeverre de schadelijke effecten, die klager heeft genoemd, in het onderhavige geval voor rekening van de kritiek komen.
2. De Raad meent dat betrokkene Hodel het oordeel van een aantal leden van de Aankoopcommissie met betrekking tot bij de inzending van werk gepleegd bedrog tot het zijne heeft gemaakt. De formulering maakt niet duidelijk dat betrokkene Hodel slechts de mening van anderen heeft willen weergeven. Dit onderdeel van de kritiek acht de Raad dan ook onzorgvuldig jegens klager.
3. Naar het oordeel van de Raad valt de stelregel van betrokkene dat geen kritiek op kritieken wordt geplaatst binnen de vrijheid, die een hoofdredacteur toekomt m. b.t. het plaatsen van ingezonden brieven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht op de onderdelen 1 en 3 ongegrond omdat Rudy Hodel niet getreden is buiten de grenzen van de vrijheid, die een criticus bij het geven van zijn oordeel toekomt, respectievelijk wegens de vrijheid die een redactie heeft bij de beslissing over het plaatsen van ingezonden brieven. De Raad meent dat betrokkenen wel onzorgvuldig hebben gehandeld door te stellen dat klager zich bij het inzenden van werk voor de besproken tentoonstelling schuldig gemaakt zou hebben aan bedrog. In zoverre acht de Raad de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 26 september 1985 door mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, mr. G. Dullens, mr. L. van Vollenhoven, mr. F. Kuitenbrouwer en drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 22.