1985/2 gegrond

T. Karelse-Blijenberg contra hoofdredacteur PZC

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van T. Karelse-Blijenberg tegen de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant.

DE KLACHT

Bij brief van 17 september 1984 heeft mevrouw drs. P. Kapelle te Amsterdam namens mevrouw T. Karelse-Blijenberg te Vlissingen (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant (betrokkene). Bij brief van 8 oktober 1984 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 1985. Namens klaagster is verschenen drs. P. Kapelle. Betrokkene, de heer C. van der Maas, was in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klaagster is de weduwe van Cornelis Karelse, die in de nacht van 24 op 25 augustus 1984 te Vlissingen is overleden na gebruik van heroïne. Tot het gezin van klaagster en de overledene behoren twee kinderen in de leeftijd van 11 en 14 jaar. In de Provinciale Zeeuwse Courant van 27 augustus, 28 augustus en 4 september 1984 zijn drie korte berichten verschenen over het overlijden van klaagsters echtgenoot. Deze berichten dragen achtereenvolgens de volgende koppen: 'Vlissinger na vermoedelijk heroïnegebruik overleden'; 'Vlissinger overleed aan combinatie van alcohol en drugs'; 'Aanhouding inzake dode drugsgebruiker'.
In de eerste twee berichten wordt de overledene aangeduid als de '36-jarige Vlissinger Cornelis Karelse', in het laatste bericht als 'de Vlissinger C. Karelse'. In de drie berichten is telkens de inhoud van de kop in korte bewoordingen nader uiteengezet.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster heeft er bezwaar tegen dat de overledene met zijn volle naam en als 'drugsgebruiker' is aangeduid omdat dit laatste het gebeurde in de sfeer van de criminaliteit trekt.
Klaagster meent dat daarvan in dit geval geen sprake was. De overledene was geen zwaar verslaafde en functioneerde normaal in zijn werk en gezin. Omdat de Provinciale Zeeuwse Courant een streekgebonden blad is wordt deze in de regio veel gelezen. Het gevolg van de berichten is geweest dat klaagster en de kinderen veel negatieve reacties hebben ontvangen onder andere uit de buurt en vanuit de school van de kinderen. Klaagster meent dat betrokkene met de belangen van de nabestaanden rekening had moeten houden en niet de volle naam van de overledene had moeten vermelden. Klaagster neemt het betrokkene kwalijk dat deze ondanks een verzoek daartoe na het verschijnen van het eerste bericht in de twee vervolgberichten de volle naam toch weer heeft vermeld.
Betrokkene heeft meegedeeld dat de redactie de volgende beleidslijn heeft aangehouden. 'Sinds jaar en dag is het ter redactie van de PZC algemeen gebruik om in gevallen van overlijden, anders dan door een natuurlijke dood, in de berichtgeving volledige naam, leeftijd en woonplaats van het slachtoffer te vermelden. Dat geldt - om enkele voorbeelden te noemen - slachtoffers van verkeersongelukken en van andere doodsoorzaken, waarbij onderzoek van politie en/of justitie aan de orde is. Een uitzondering wordt slechts gemaakt voor gevallen van zelfdoding, waarbij overigens nog de restrictie wordt gehanteerd dat het dan om zelfdoding moet gaan die geen publieke aandacht heeft getrokken, dan wel gevolgen heeft gehad in de samenleving'.
In het onderhavige geval was er voor de PZC geen reden een afwijkende gedragslijn te volgen. Betrokkene heeft wel begrip voor de moeilijke situatie van de nabestaanden. De berichtgeving werd daarom zo sober mogelijk gehouden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of er voor betrokkene aanleiding was af te wijken van de door betrokkene gehanteerde algemene regel in zaken van berichtgeving over overlijden door een onnatuurlijke dood. Indien het daarbij gaat om heroïnegebruik, al dan niet in combinatie met andere stoffen, zal het vermelden daarvan naar het oordeel van de Raad bij een groot deel van het publiek een verband oproepen met criminaliteit. Van een dergelijk bericht zal aldus voor de overledene en diens nabestaanden een stigmatiserende werking uitgaan. Betrokkene had erop bedacht moeten zijn dat dit in het onderhavige geval, waar het gaat om een kleine gemeenschap en waarbij twee minderjarige kinderen betrokken zijn, voor de nabestaanden onnodig grievend was. Betrokkene had daarom in deze zaak de overledene niet met zijn volle naam moeten noemen nu dat door geen ander zwaarwegender belang werd gerechtvaardigd.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar was.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 7 februari 1985 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., J. L. de Troye, Drs. H. W. M. van Run en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 2.