1985/18 ongegrond

KNVB contra Barend en Van Dorp

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond tegen Frits Barend en Henk van Dorp

Bij brief van 2 juli 1985 met één bijlage heeft de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond te Zeist (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalisten Frits Barend en Henk van Dorp (betrokkenen). Bij brief van 10 september 1985 heeft de hoofdredacteur van "Vrij Nederland", R. Ferdinandusse, op deze klacht geantwoord. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 september 1985. Namens klaagster verschenen Mr. J. Hogewoning en W. Jesse. Betrokkenen hadden laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.
In de aflevering van het weekblad Vrij Nederland van 11 mei 1985 is onder de titel 'Het Nederlands Elftal als tweede hands klusje' een artikel verschenen van betrokkenen over de coaching van het Nederlands elftal. In dit artikel komt de volgende passage voor.

'Omdat Nederland allang niet meer het imago heeft van onkreukbaarheid is een overwinning op Hongarije niet ondenkbaar. Men denke voor Hongarije-Nederland slechts aan een koffer vol videorecorders van de sponsor. De wereld blijft rond, Hongarije heeft bij een overwinning toch geen belang meer, zeker als het Nederlands elftal in Boedapest als laatste redmiddel buiten de meegebrachte videorecorders speelt zoals PSV dit seizoen...'

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENEN

De klacht van de KNVB is 'dat in deze passage zonder enige grond wordt geïnsinueerd, dat het, gelet op de slechte reputatie van Nederland (wij lezen het bestuur van de KNVB), heel goed denkbaar is, dat de KNVB met behulp van haar sponsor de overwinning op Hongarije zal kopen'. Volgens klaagster kan met 'Nederland' in de aangevallen passage niet anders bedoeld zijn dan het bestuur van de KNVB omdat het bestuur van de KNVB de verantwoordelijkheid draagt voor het Nederlandse elftal en omdat het gehele artikel een aanval is op het bestuur, zoals blijkt uit verschillende passages waarin het bestuur of leden van het bestuur met zoveel woorden worden genoemd. Klaagster heeft gesteld wel te begrijpen dat sportjournalistiek een eigen vorm heeft zodat sportjournalisten zich bepaalde vrijheden kunnen veroorloven. Klaagster meent echter dat de beschuldiging van omkoping, die in de aangevallen passage te lezen is, de grenzen van deze vrijheid overschrijdt. Klaagster meent dat betrokkenen zeer onzorgvuldig te werk zijn gegaan ten opzichte van de KNVB bij het schrijven van het desbetreffende artikel.
Betrokkenen hebben hier bij monde van hun hoofdredacteur het volgende tegenover gesteld. Betrokkenen erkennen dat zij in de omstreden passage inderdaad bedoeld hebben te wijzen op de mogelijkheid van omkoping. Dit is echter niet gesteld of bedoeld als een beschuldiging aan het adres van het bestuur van de KNVB maar als niet meer dan het volgende: 'In de huidige staat van het voetbal, met zijn enorme belangen, is dat een manier waarop het kan worden opgelost, tegenwoordig ook in Nederland'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of het in de aanhef van de gewraakte passage voorkomende begrip 'Nederland' in de context van het artikel redelijkerwijze kan worden gelijk gesteld met 'het bestuur van de KNVB'. De Raad overweegt te dezer zake het volgende.
Bij hun bespreking van het belang van een goede coaching van het Nederlands elftal en de kansen op succes van dit elftal bij interlandwedstrijden hebben betrokkenen aan het slot daarvan de mogelijkheid van omkoping genoemd voor het winnen van een wedstrijd. De Raad acht het aannemelijk, dat betrokkenen hierbij hebben willen verwijzen naar misstanden op dit gebied in de voetbalwereld in het algemeen en daarbij niet het oog hebben gehad op het bestuur van de KNVB. Naar de mening van de Raad mag ervan worden uitgegaan, dat ook de lezers van het artikel de term 'Nederland' in de gewraakte passage zullen uitleggen als: de Nederlandse voetbalwereld. Hoezeer juist is dat in internationaal verband Nederland vertegenwoordigd wordt door het Nederlands elftal en dat er een nauw verband bestaat tussen het beleid van het bestuur van de KNVB en het succes van het Nederlands elftal, anders dan klaagster meent de Raad dat door het gebruik van het begrip 'Nederland' de suggestie van omkoping zich niet duidelijk richt tot het bestuur van de KNVB. Hieraan doet niet af, dat elders in het artikel het bestuur of leden van het bestuur van klaagster met zoveel woorden worden genoemd, omdat de kritiek die aldaar op de KNVB wordt uitgeoefend van een geheel andere aard is en niets te maken heeft met enigerlei denkbare omkoping. De Raad acht de klacht daarom ongegrond.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen niet onzorgvuldig hebben gehandeld jegens klaagster door in een artikel over het Nederlands elftal waarin ook het beleid van klaagster wordt bekritiseerd de suggestie van omkoping te doen voor het winnen van interlandwedstrijden.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 19 september 1985 door Mr. R. de Waard, voorzitter, O. Postma ing., Mr. T. Faber-de Heer, Mr. T. Dalmolen en T. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 18.