1985/17 ongegrond

S. Frank contra Het Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van S. Frank e.a. tegen de hoofdredacteur van Het Dagblad.

Bij brief van 30 april 1985 met vijf bijlagen heeft S. Frank te Giethoorn. samen met zeven anderen (klagers), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Dagblad, een streekeditie van de Zwolsche Courant (betrokkene). Bij brief van 31 mei met drie bijlagen heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1985. Klagers S. Frank, G. Konstapel en H. de Jonge verschenen mede namens de andere klagers. Betrokkene was in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In Het Dagblad van 27 maart 1985 is onder de kop 'Groep Verontruste Joden verstoort Vrienden van Israël-avond in Steenwijk' een verslag verschenen van een door de organisatie Vrienden van Israël op 26 maart 1985 te Steenwijk gehouden openbare bijeenkomst. Het verslag begint met de volgende passage.

'Zes leden van de Werkgroep Verontruste Joodse Mensen hebben gisteren in Steenwijk getracht een avond van de Vrienden van Israël te verstoren. Ze maakten tijdens toespraken van rabbijn A. Soetendorp in ClDI-directeur Drs. R. Naftaniël op luidruchtige wijze hun denkbeelden kenbaar, maar deze pogingen om de orde te verstoren werden snel de kop ingedrukt. Overigens was op verzoek van de organisatie politie aanwezig in de zaal van hotel De Gouden Engel. Het is niet tot verdere schermutselingen gekomen.'

DE STANDPUNTEN VAN KLAGERS EN BETROKKENE

De bezwaren van klagers zijn de volgende.
1. Zij, de vermeende ordeverstoorders, behoren niet tot de leden van de Werkgroep Verontruste Joodse Mensen.
2. Er is geen sprake geweest van verstoring van de orde. Uit hun midden is getracht vragen te stellen aan de sprekers. De organisatie wees echter het stellen van vragen van de hand. Het korte debat hierover is niet gepaard gegaan met ordeverstoringen of pogingen daartoe. Er zijn dus ook geen 'verdere schermutselingen' geweest, laat staan eerdere schermutselingen.
3. Klagers betwisten dat er politie aanwezig was in de zaal omdat zij daarvan niets hebben gemerkt.
4. De naar aanleiding van het verslag door klager Frank aangeboden ingezonden brief is door de redactie geweigerd ondanks een voorafgaande toezegging tot plaatsing.

Betrokkene stelt hier tegenover dat het materiaal voor het verslag afkomstig is van een freelance journalist, die de bijeenkomst zelf heeft bijgewoond. Het verslag is opgesteld door een vaste journalist van de krant, die de feiten nog geverifieerd heeft bij de organisatoren van de avond. Betrokkene verwijst naar een brief van de organisatie Vrienden van Israël van 23 mei 1985 waarin wordt bevestigd dat het verslag geen onjuistheden bevat. Kennelijk zijn de vragenstellers door de aangezochte informanten aangeduid als leden van de Werkgroep Verontruste Joodse Mensen. Als dit onjuist is kan dit de krant niet verweten worden. De in het verslag genoemde ordeverstoring heeft zowel volgens de aanwezige verslaggever als volgens de organisatie wel plaatsgevonden. Overigens moet het woord 'schermutselingen' gezien worden als beeldend taalgebruik. Hiermee is niet bedoeld handgemeen. De aanwezigheid van politiemensen is door bovengenoemde informanten eveneens bevestigd. De door klager Frank aangeboden brief is niet gepubliceerd omdat daarin naar het oordeel van de redactie ontoelaatbare aantijgingen werden gedaan aan het adres van een van de sprekers van de avond. Klager Frank heeft overigens niet om een toelichting op de weigering gevraagd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad beoordeelt de klacht als volgt.

De Raad acht het aannemelijk dat klagers niet behoren tot de Werkgroep Verontruste Joodse Mensen. De Raad meent echter dat betrokkene ten deze mocht af gaan op de informatie van de organisatoren van de bijeenkomst. Omdat klagers in dit verslag verder niet met hun naam worden genoemd ondervinden zij van deze onjuistheid geen nadeel. Bovendien is aan klagers de gelegenheid geboden dit te corrigeren.
Gezien de tegenstrijdige mededelingen van klagers en betrokkene heeft de Raad niet kunnen vaststellen wat zich precies heeft afgespeeld rond het door klagers gedane verzoek tot het stellen van vragen. Ook indien dit tot een kort debat tussen de vragenstellers en de organisatoren beperkt is gebleven acht de Raad de weergave daarvan in het verslag niet zodanig onzorgvuldig dat er sprake is van onaanvaardbare verslaggevers.
Wat betreft de al dan niet aanwezigheid van politiemensen, is aan de Raad niet gebleken dat er geen politie ter plaatse was. De krant mocht de desbetreffende mededeling van het bestuur overnemen. Ook als deze mededeling onjuist zou zijn worden klagers hierdoor niet benadeeld.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat aan betrokkene geen onzorgvuldigheid te verwijten valt nu het verslag gebaseerd is op waarnemingen van een aanwezige verslaggever en op informatie afkomstig van de organisatoren van de desbetreffende avond en betrokkene aan klagers de gelegenheid geboden heeft eventuele onjuistheden te corrigeren.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1985 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, J. L. de Troye, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 17.