1985/15 ongegrond

Berkel-Enschot contra Het Nieuwsblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Mr. M. J. C. G. J. van der Aa de gemeente Berkel-Enschot en P. L. van den Bossche tegen J. M. J. P. Verstegen.

Bij brief van 15 februari 1985 met negen bijlagen heeft Mr. M. J. C. G. J. van der Aa, advocaat en procureur te Tilburg, mede namens zijn cliënten, de gemeente Berkel-Enschot en P. L. van den Bossche, wethouder van Berkel-Enschot (klagers), een klacht ingediend tegen J. M. J. P. Verstegen, hoofdredacteur van Het Nieuwsblad (betrokkene). Bij brief van 7 maart 1985 met zeven bijlagen heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1985. Betrokkene was in persoon aanwezig. Van de zijde van klagers is niemand verschenen

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In "Het Nieuwsblad" van 20 november 1984 is onder de kop ' 'Zigeunersproject helemaal mislukt' en daarboven in kleinere letters de kopregel 'Rapport B. en W. van Berkel-Enschot: 'een bericht verschenen over het project tot integratie van een aantal zigeuners in de bevolking van Berkel-Enschot. Aanleiding voor het bericht is het verschijnen van het tweede evaluatie-rapport van Burgemeester en Wethouders van Berkel-Enschot over dit project. In dit bericht wordt wethouder P. van den Bossche aangehaald in de volgende passage.
''Het enige dat de zigeuners hebben gedaan, is hun handje opgehouden en roepen: vullen maar', aldus wethouder P. van den Bossche. 'Bij hun komst naar Berkel-Enschot hadden de zigeuners niets dan goede voornemens, maar zij hebben geen enkele poging ondernomen om daar maar iets van tot stand te brengen'.'
Naar aanleiding van dit bericht is door de zigeuner H. Sejdic tegen de gemeente BerkelEnschot en wethouder Van den Bossche een kort geding aangespannen bij de rechtbank te Breda. In dat kort geding is Mr. Van der Aa opgetreden als advocaat van de gemeente en de wethouder. Diens tijdens de behandeling gevoerde verweer is neergelegd in zijn schriftelijke conclusie van antwoord.
In Het Nieuwsblad van 9 januari is paginagroot onder de kop 'Rechtspraktijk Zigeunergeding ondermijnt de dagbladfunctie' met daarboven in kleinere letters 'Het Nieuwsblad pakt de Zwarte Piet niet op' een als 'Analyse' aangeduid artikel verschenen over dit kort geding. Het artikel wordt ingeleid in een kader onder de titel 'Het Nieuwsblad verbreekt stilzwijgen' waarin een korte samenvatting van de belangrijkste feiten wordt gegeven.
In de analyse maakt betrokkene bezwaar tegen bepaalde onderdelen uit het verweer in onder andere de volgende passages. 'Ter zitting kwam Mr. Van der Aa meteen met het bekende recept op de proppen: Het Nieuwsblad zou de door zigeuner Sejdic gewraakte woorden van wethouder Van den Bossche in zijn editie van 20 november jl. onjuist, onvolledig, en uit hun verband gerukt hebben weergegeven. Hij suggereerde dat dat ook niet anders kon als van een telefoongesprek van 20 à 25 minuten slechts een tiental woorden worden weergegeven. Hij voerde aan dat de gemeente Berkel-Enschot een afspraak met Het Nieuwsblad heeft, 'zo men wil een gentlemen's agreement', dat de krant bij artikelen over zigeunerproblematiek eerst contact opneemt met de gemeente en vooral ook de nodige terughoudendheid in publikaties zou betrachten. Hij wekte de indruk dat Het Nieuwsblad in strijd met die afspraak heeft gehandeld, mede omdat niet de gebruikelijke journaliste het stuk zou hebben geschreven. En zo waren er nog meer suggesties, waaruit zou moeten blijken dat Het Nieuwsblad het met zijn informatieve taak op een akkoordje zou hebben gegooid'.
En: 'Voor de goede orde zetten we ze eens naast elkaar: links de citaten, zoals ze in de krant stonden, rechts de lezing van Van den Bossche/Van der Aa. (...) Deze 'subtiele' afzwakking van het duo Van den Bossche/Van der Aa komt wat wonderlijk over. Maar zij bleek, in combinatie met het verzinsel van het gentlemen's agreement en de insinuaties aan het adres van Het Nieuwsblad, een afdoende strategie.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGERS EN BETROKKENE

Klagers hebben tegen het artikel van betrokkene het volgende bezwaar geformuleerd.
'De inhoud, strekking en woordkeus van de 'analyse' roepen immers, zeer zeker bij de niet van alle ins en outs van de onderhavige zaak op de hoogte zijnde buitenstaander kortom, de 'gemiddelde' lezer, het beeld op, zo dit al niet met zoveel woorden is gesteld, dat mijn cliënten en dan in het bijzonder de heer Van den Bossche, alsmede ondergetekende in een soort van samenspanning bewust en opzettelijk de waarheid geweld hebben aangedaan c.q. hebben verdraaid en de President van de Rechtbank hebben misleid door zich van 'suggesties, verzinsels en insinuaties' te bedienen'.
Klagers menen dat hierdoor de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden. Zij wijzen erop dat betrokkene geweigerd heeft tot rectificatie over te gaan en excuses te publiceren.

Betrokkene ontkent niet dat in zijn artikel de suggestie gelegen is van opzettelijke misleiding door klagers van de President van de Rechtbank. Naar zijn mening geldt dit zowel voor Mr. Van der Aa als voor diens cliënten nu hij de informatie van gemeente en wethouder zonder eigen toetsing heeft overgenomen. De laatsten weten heel goed dat de krant zich nimmer heeft verbonden tot contact vooraf met de gemeente over publikaties inzake de zigeunerkwestie of dat de krant de nodige terughoudendheid met betrekking tot dit onderwerp zou betrachten. Een dergelijke afspraak of gentlemen's agreement bestaat niet.
Eveneens is onjuist dat de wethouder verkeerd geciteerd zou zijn. De wethouder heeft zich in het telefoongesprek met de desbetreffende journalist precies zo uitgelaten als is vermeld in het bericht van 20 november 1984.
Betrokkene is van oordeel dat hij gerechtigd is de proceshouding van klagers in het openbaar aan te vallen nu het verweer ook op een openbare zitting is gevoerd en Mr. Van der Aa zijn conclusie van antwoord aan de pers ter beschikking heeft gesteld. Betrokkene meent overigens dat zijn analyse rustig van toon is en dat hij de grenzen van het toelaatbare niet heeft overschreden omdat hij goede gronden had voor zijn suggesties. Om die reden heeft hij de gevraagde excuses niet willen publiceren. Wel heeft hij klagers in de gelegenheid gesteld in een nader stuk hun visie te geven. Klagers zijn hierop niet ingegaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met klagers is de Raad van oordeel dat het artikel van betrokkene de suggestie wekt als zouden klagers de President van de Rechtbank opzettelijk hebben willen misleiden. De Raad meent echter dat, gezien vanuit het standpunt van betrokkene, het in het kort geding gevoerde verweer daarvoor aanknopingspunten kon bieden, omdat betrokkene overtuigd was van de onjuistheid van de beweringen van klagers. Dat Het Nieuwsblad verkeerd zou hebben geciteerd of dat het door klagers gestelde gentlemen's agreement zou bestaan waren in het geding onbewezen en--nu noch betrokkene noch de schrijver van het gewraakte stuk in het kort geding als getuige zijn gehoord--gemakkelijk te poneren stellingen. Niettemin meent de Raad dat betrokkene woorden als 'verzinsel' en 'insinuaties' beter had kunnen vermijden gezien de ongunstige betekenis, die daaraan kan worden gegeven.
Minder juist acht de Raad het voorts dat betrokkene klager Van der Aa op één lijn heeft gesteld met diens cliënten. Betrokkene heeft hier onvoldoende onderkend dat klager Van der Aa als advocaat gezien moet worden als spreekbuis van zijn cliënten en niet als persoonlijk in het geding betrokkene.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond daar het betrokkene vrij stond in een opiniërend artikel de proceshouding van de gemeente BerkelEnschot en wethouder Van den Bossche te bekritiseren. Met zijn suggestie dat dezen in hun verweer bepaalde feiten opzettelijk onjuist hebben weergegeven heeft betrokkene de grenzen van het aanvaardbare niet overschreden nu het verweer daarvoor vanuit betrokkenes wetenschap zekere aanknopingspunten bood en betrokkene klagers in de gelegenheid heeft gesteld van hun zienswijze in de krant te doen blijken.
De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Nieuwsblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1985 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, J. L. de Troye, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 15.