1985/14 ongegrond

Vrouwencentrum Oss contra Brabants Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Werkgroep Vrouwencentrum Oss tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 19 maart 1985 met drie bijlagen heeft de Werkgroep Vrouwencentrum Oss (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (betrokkene). Bij brief van 22 mei 1985 met twee bijlagen heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 juni 1985. Namens klaagster waren aanwezig Nellie van de Wetering, secretaris van de Werkgroep en Marjo de Louw, lid. Betrokkene, Ben H.M. Sies, is in persoon verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de rubriek 'regionaal streekje' van de aflevering van het "Brabants Dagblad" van 9 maart 1985 (editie Oss) is onder de kop 'Verband' commentaar geleverd op de gang van zaken rond een voorgenomen actie van het Vrouwencentrum Osse Sien tot uitreiking van een gouden maandverband aan een vertegenwoordiger van de paus bij gelegenheid van het bezoek van de paus aan Nederland, begin maart 1985. In dit commentaar komt de volgende passage voor:

'De dames van het vrouwencentrum Osse Sien hebben zich lelijk in de kaart laten kijken. De redactie van deze krant kreeg gisterochtend een telefoontje van het vrouwenhuis, waarin actie werd aangekondigd op de Begijnenstraat 2 in Oss. Dat is de pastorie van de Grote Kerk. Eerder deze week werd bekend dat het vrouwencentrum een 'gouden maandverband' zou uitreiken aan een vertegenwoordiger van de paus. Een hoop koude drukte om niks, want op het afgesproken tijdstip schitterden de vrouwen door afwezigheid. Ook deken H. van Doorn, die op het punt stond om zijn parochie in te trekken, bleek niet op de hoogte. Bovendien zag de deken, Letterlijk en figuurlijk, het verband niet. Immers, aldus van Doorn, ik hoef toch niet verantwoordelijk gesteld te worden voor het beleid van de paus? 'Laat ze dat maandverband maar naar het Vaticaan sturen. Ik heb er geen boodschap aan', was het laconieke commentaar van de deken. Eens te meer blijkt, welke waarde gehecht mag worden aan deze initiatieven van de Osse feministische vrouwengroep. De waarschijnlijk via borrelpraat bedachte 'ludieke stunt' wordt via de media aan de buitenwereld bekendgemaakt. Daarbij eisen de dames met een hoop bombarie de aanwezigheid van een vrouwelijke verslaggever en laten vervolgens doodleuk verstek gaan.'.

In het Brabants Dagblad van 5 maart 1985 was onder de titel 'Maandverband voor de paus' het volgende bericht verschenen: 'De vrouwen van vrouwenhuis Osse Sien in Oss willen de paus vrijdag, Internationale Vrouwendag, op symbolische wijze 'onderscheiden' met het Gouden Maandverband. Het Gouden Maandverband wordt toegekend aan een persoon, die zich vrouwonvriendelijk gedraagt of uitlaat.'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster heeft tegen de twee bovengenoemde berichten de volgende bezwaren naar voren gebracht. In een telefoongesprek van klaagster met de redactie van het Brabants Dagblad van 4 maart 1985 kwam naar voren dat het Vrouwencentrum overwoog ter gelegenheid van het paus-bezoek het Gouden Maandverband uit te reiken. Klaagster wees erop dat deze plannen nog geen definitieve vorm hadden en dat daarover pas op 8 maart 1985 beslist zou worden. Klaagster verzocht de redactie daarom niets te publiceren voor 8 maart onder de toezegging het Brabants Dagblad als eerste op de hoogte te stellen als de plannen zouden worden aangenomen. Bij publiciteit voor 8 maart zou de actie in ieder geval niet doorgaan.
Ondanks dit verzoek verscheen over de voorgenomen actie toch op 5 maart 1985 een bericht, wat in bovengenoemd en ook een later telefoongesprek al door de redactie was aangekondigd. Klaagster ziet hierin een schending van een door haar opgelegd embargo. In het verleden is het vaker gebeurd dat er met de redactie van het Brabants Dagblad afspraken werden gemaakt met betrekking tot publiciteit over door haar ondernomen acties. Daaruit zijn toen nooit problemen voortgekomen.
Klaagster meent dat zij in het commentaar van 9 maart in een verkeerd daglicht wordt geplaatst. Het is juist dat er op vrijdag 9 maart 1985 geen uitreiking van het Gouden Maandverband heeft plaatsgevonden en dat de verslaggever van het Brabants Dagblad voor niets naar de pastorie van de Grote Kerk is gekomen. Om uiting te geven aan haar gevoel van onmacht heeft klaagster die vrijdagochtend telefonisch aan de redactie doorgegeven: 'De door U aangekondigde actie zal om 11.15 uur plaatsvinden'. De redactie had echter beter kunnen weten, daar klaagster in de telefoongesprekken van 4 maart gezegd had dat de actie niet door zou gaan bij vroegtijdige publiciteit.
Het gebruik van de woorden 'eens te meer' wekt de indruk dat al eerder acties van de zijde van klaagster niet doorgingen of om andere redenen niet serieus genomen moesten worden. De feiten zijn anders en het commentaar geeft niet aan op welke eerdere ervaringen wordt gedoeld. Onjuist is dat klaagster 'met een hoop bombarie' de aanwezigheid van een vrouwelijke verslaggever geest zou hebben. In de telefonische aankondiging van de ludieke actie is dit niet aan de orde geweest. Slechts is in het telefonisch contact van maandag 4 maart gevraagd (en dus niet met bombarie geest) of eventueel een vrouwelijke verslaggever gestuurd zou kunnen worden.
Betrokkene meent dat klaagster ten onrechte van een embargo spreekt. Het ging hier niet om een nieuwsfeit dat nog moest ontstaan. Ook plannen kunnen nieuws bevatten. Naar het oordeel van de redactie was er geen bijzonder belang om dat nieuws, het bestaan van een plan tot het uitreiken van het Gouden Maandverband, op te houden. Ten aanzien van het commentaar geldt dat daarover twee ingezonden brieven zijn opgenomen, van de zijde van klaagster, één op 14 maart 1985. In de eerste brief wordt de voorgeschiedenis, zoals deze ook in de onderhavige klacht aan de orde is geweest, uit de doeken gedaan. In de tweede brief worden de motieven genoemd van klaagster voor de voorgenomen actie, te weten de kritiek van klaagster op bepaalde denkbeelden van de Katholieke Kerk, zoals die over de positie van de vrouw binnen de kerk en die over het gezin en geboorteplanning. Betrokkene meent dat hierdoor voldoende tegemoet is gekomen aan de bezwaren van klaagster over commentaar en berichtgeving. Het woord 'bombarie' is gebruikt omdat met veel nadruk om een vrouwelijke verslaggever werd gevraagd. De woorden leens te meer' slaan niet terug op eerder acties van de zijde van klaagster. Bedoeld is dat veel mensen deze acties niet op prijs stellen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is wel van oordeel dat er tussen klaagster en betrokkene geen embargo-afspraak tot stand is gekomen. Betrokkene mocht het nieuwsfeit van de voorgenomen actie publiceren. De Raad acht het begrijpelijk dat klaagster op grond van haar eerdere ervaringen in de veronderstelling verkeerde dat zij het tijdstip van de publikatie kon beïnvloeden. doch nu betrokkene duidelijk gezegd heeft het verzoek van klaagster niet te zullen honoreren valt hem niet te verwijten dat hij tot publikatie is overgegaan.
De Raad is wel van oordeel dat het gebruik van de woorden 'bombarie' en 'eens te meer' in het commentaar onjuist is. Een al dan niet met nadruk gedaan verzoek om een vrouwelijke verslaggever wettigt niet het woord ' bombarie'. De woorden leens te meer' verwijzen blijkens het zinsverband waarin deze zijn gebruikt naar eerdere 'initiatieven' van klaagster, dus naar eerdere gebeurtenissen en niet naar personen. Bij gebreke van verdere aanduiding van die gebeurtenissen wordt niet duidelijk welke acties dan eerder niet geslaagd waren. De Raad ziet dit echter als twee kleine onzorgvuldigheden in het stuk, waarvan de teneur overigens geheel valt binnen de vrijheid van betrokkene tot het geven van commentaar. Betrokkene heeft bovendien de andere kant van de zaak laten zien door het plaatsen van de ingezonden brieven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht niet gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 20 juni 1985 door Mr R. de Waard, voorzitter, Drs J. F. D. Vugts, D. F. Houwaart, Mr F. Kuitenbrouwer en Drs J. M. M. van de Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 14.