1985/13 gegrond

J. Kuit en D. J. Prins

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van J. Kuit tegen D. J. Prins

Bij brief van 11 januari 1985 met twee bijlagen en aanvullende brief van 23 januari heeft Mr. H. G. Kersting namens mevrouw J. Kuit te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen de foto-journalist Dirk Jan Prins (betrokkene). Deze heeft zich niet schriftelijk tegen de klacht verweerd, maar is wel verschenen bij gelegenheid van de behandeling van de zaak op 6 juni 1985. Ter zitting waren ook aanwezig klaagster en haar raadsman.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Betrokkene heeft als persfotograaf een aantal foto's gemaakt van ongeregeldheden tijdens de ontruiming van een pand in de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam op 17 september 1984. Hieronder bevond zich een foto van een actievoerder met een groot model katapult en een bivakmuts over het hoofd. Deze foto is gebruikt als illustratie bij een verslag van - overigens andere - ontruimingsongeregeldheden in het tijdschrift "Aktueel" van 3 november 1984. Dezelfde foto is ook gebruikt tijdens het tegen klaagster ingestelde gerechtelijk vooronderzoek op grond van de verdenking van geweldpleging tijdens de eerstgenoemde ongeregeldheden. Klaagster werd op 24 september 1984 gearresteerd en op 25 september 1984 door de politie gehoord. De foto diende als herkenningsmateriaal: bij de arrestatie van klaagster werd in haar kleding eenzelfde bivakmuts gevonden als voorkomt op de foto. Klaagster is op 8 januari 1985 door de politierechter te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het schieten met een katapult naar de Mobiele Eenheid.

Klaagster stelt dat betrokkene de foto afgegeven moet hebben aan de politie. Hiertegen richt zich haar klacht. Naar haar mening is deze handelwijze in strijd met de onafhankelijkheid, die een persfotograaf moet handhaven en op grond waarvan hij zich bij ordeverstoringen ook mag onderscheiden door middel van een pers of rellenkaart. Naar haar mening mag een persfotograaf een foto, die de mogelijkheid van een gerechtelijk onderzoek openlaat niet aan de politie afstaan vóór publikatie van die foto.

Betrokkene stelt dat hij nimmer foto's aan de politie afgeeft met het oog op een gerechtelijk onderzoek. Wel komt het regelmatig voor dat agenten hem om een foto vragen waarop zij zelf voorkomen. In het onderhavige geval heeft hij in verband daarmee met twee agenten van wie hij aannam dat zij bij de ontruiming betrokken waren geweest een aantal negatieven doorgekeken. Geen van beide agenten bleek op een van de foto's voor te komen. Beiden vroegen echter om een afdruk van de onderhavige actiefoto: persoon met bivakmuts en katapult. De agenten verklaarden dat zij prijs stelden op juist deze foto omdat zij 'zo betrokken waren geweest' bij de ongeregeldheden waarop die foto betrekking had.
Volgens betrokkene heeft hij de agenten nog uitdrukkelijk gewaarschuwd dat hij de foto
alleen afstond voor de privé verzameling van de agenten. Hierop zouden de agenten nog gezegd hebben, dat de foto hoogstens nog nut zou kunnen hebben voor herkenning, waarop betrokkene volgens zijn mededeling nogmaals gezegd zou hebben dat er 'vanwege die bivakmuts niets te herkennen viel' zodat de foto derhalve niet door de agenten in hun werk gebruikt zou kunnen worden.
Nadat hem later gebleken was dat de foto toch bij de recherche terecht is gekomen heeft betrokkene hieromtrent navraag gedaan bij de agenten. Dezen hebben tegenover hem verklaard dat zij de foto niet hebben afgegeven aan de recherche. Betrokkene is in verband hiermee voornemens een aanklacht in te dienen bij het bevoegde gezag.

De Raad is van oordeel dat met het oog op het algemeen belang de onafhankelijkheid van een persfotograaf gewaarborgd dient te blijven. Een persfotograaf dient daarom naar de mening van de Raad vóór publikatie geen foto's aan de politie of aan derden af te geven, wanneer het gevaar van misbruik aanwezig is. Bij afgifte van foto's aan de politie valt daarbij te denken aan gebruik van die foto's voor een justitieel onderzoek. Anderzijds zou in het onderhavige geval afgifte van de foto's waarop politiemensen voorkomen aan actievoerders, misbruik in de vorm van persoonlijke wraakacties tegen afgebeelde politiemensen in de hand kunnen werken. De verantwoordelijkheid van de persfotograaf in bovengenoemde gevallen staat los van de criteria voor het kiezen van foto's voor publikatie.

De Raad acht het aannemelijk dat in het onderhavige geval betrokkene de foto alleen heeft afgegeven omdat hij er van overtuigd was dat de hoofdpersoon door de bivakmuts onherkenbaar was zodat gebruik voor justitiële doeleinden alleen al om die reden uitgesloten was. De Raad merkt op dat betrokkene dit zelf achteraf 'wellicht naïef' heeft genoemd, terwijl de raadsman van klaagster sprak over verschoonbaarheid. Desondanks is de Raad van oordeel dat betrokkene onjuist heeft gehandeld door afgifte van de desbetreffende foto daar hij wel rekening had moeten houden met de mogelijkheid van gebruik van de foto ten behoeve van justitieel onderzoek. De Raad acht daarom de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 juni 1985 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. L. van Vollenhoven, Mr. T. Faber-de Heer, Mr. A. J. Heerma van Voss en Mr. F. Kuitenbrouwer, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 13.