1985/11 gegrond

Ruyters contra De Limburger

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van P. J. M. Ruyters tegen de hoofdredacteur van De Limburger en H. Koenen.

Bij brief van 8 februari 1985 met vijf bijlagen en aanvullende brief van 25 februari 1985 van Mr. G. W. F. Br├╝ggemann te Nijmegen heeft P. J. M. Ruyters te Echt (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van "De Limburger" en Hans Koenen, adjunct-hoofdredacteur (betrokkenen). Bij brief van 14 maart 1985 van H. Koenen hebben dezen zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 mei 1985. Namens klager verscheen Mr. G. W. F. Br├╝ggemann, namens betrokkenen H. Koenen.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Op 11 januari 1984 deed de Rijkspolitie 's avonds een inval in het Golden Ten-casino van het restaurant 'De Maasketen' in Roosteren. Toentertijd heerste onduidelijkheid over de vraag of het Golden Ten-spel een verboden kansspel was in de zin van de Wet op de Kansspelen. Klager bevond zich bij gelegenheid van de inval als deelnemer aan het Golden Ten-spel in het casino. In verband daarmee werd hij door de politie gefouilleerd. Een foto daarvan, waarop klager duidelijk herkenbaar staat afgebeeld, werd op 12 januari 1984 gepubliceerd in de ochtendeditie van De Limburger.

Klager voelde zich aangetast in zijn goede naam door de publikatie van de foto. Het fouilleren door de politie wekte de indruk als zou hij zich schuldig gemaakt hebben aan een strafbaar feit, zulks terwijl de onwettigheid van het Golden Ten-spel niet vast stond. Nadat klager telefonisch contact had opgenomen met betrokkene Koenen, werd hem namens deze een bos bloemen, een fles wijn en een vergroting van de gewraakte foto bezorgd. In een begeleidend schrijven van 17 januari 1984 betuigt betrokkene zijn spijt over eventueel door klager ontvangen negatieve reacties als gevolg van de foto. De brief bevat de volgende zin.
'Wij als krant hebben eruit geleerd nog voorzichtiger met iemands privacy om te gaan dan we al deden'.
De Limburger B.V. heeft in oktober 1984 een jaarboek uitgegeven waarin de gewraakte foto opnieuw is gepubliceerd. De klacht richt zich tegen deze tweede publikatie. Klager stelt dat het achterwege blijven van herpublikatie hem is toegezegd. Door niet te voorkomen dat de foto opnieuw is gebruikt hebben betrokkenen deze toezegging jegens hem geschonden.

Betrokkene Koenen erkent dat het achterblijven van herpublikatie van de foto door hem is toegezegd. Hiermee heeft hij echter niet anders bedoeld dan eventuele herpublikatie in het dagblad De Limburger. Hij voelt zich niet verantwoordelijk voor herpublikatie in het fotoboek, ook al is dit een uitgave van De Limburger B.V., die ook het dagblad De Limburger uitgeeft. Het jaarboek is geen verlengstuk van de krant. Er staan ook andere foto's in dan die oorspronkelijk in het dagblad De Limburger stonden. Het is juist dat het archief van de krant openstond voor de redactie van het jaarboek
en dat de chef fotoredactie van De Limburger 'als schnabbel' de foto's voor het boek heeft geselecteerd. De archivaris regelt het gebruik van het archief.

De Raad beoordeelt de klacht als volgt.

Klager had een redelijk belang bij het voorkomen van verdere publikatie van de gewraakte foto's. Blijkens de brief van betrokkene Koenen van 17 januari 1984 werd dit belang door betrokkenen erkend. Klager mocht er dan ook op vertrouwen dat de toezegging van betrokkene Koenen, die inhield dat herpublikatie van de foto voorkomen zou worden, zich niet zou beperken tot het dagblad De Limburger maar ook doelde op publikatie elders. Naar de mening van de Raad lag het in de macht van betrokkenen dit te bewerkstelligen en hadden zij dit behoren te doen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een aantekening achterop de omstreden foto of er een briefje aan te hechten.

De Raad meent dat betrokkenen onzorgvuldig hebben gehandeld jegens klager door niet al het mogelijke te doen om herpublikatie van de foto te voorkomen en acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in het dagblad De Limburger.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 2 mei 1985 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, Mr. G. Dullens, D. F. Houwaart, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 11.