1985/1 ongegrond

G. Baars-Jelgersma contra L. Heyting

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van G. Baars-Jelgersma tegen L. Heyting.

DE KLACHT

Bij brief van 7 juni 1984 met bijlage heeft mevrouw G. Baars-Jelgersma te Mook (klaagster) een klacht ingediend tegen de journaliste Lien Heyting te Amsterdam (betrokkene). Bij brief van 28 juni 1984 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 februari 1985. Klaagster was in persoon aanwezig. Betrokkene had de Raad laten weten dat zij niet zou verschijnen.

DE FEITEN

In het cultureel Supplement van NRC-Handelsblad van 23 maart 1984 is het tweede deel van de artikelenserie 'Kunst op IJsland' van betrokkene verschenen. Hierin beschrijft betrokkene haar ontmoeting met de bejaarde Ijslandse schrijver en Nobelprijswinnaar Halldór Laxness. Deze omvat de volgende passages:

'Hij neemt tegenover me plaats in een diepe fauteuil en begint druk gebarend en emotioneel te vertellen wat hem in Nederland is aangedaan. Vragen stellen blijkt lastig: Laxness is doof. Ook wil hij zijn toespraak niet onderbreken. Hij vervalt in herhalingen, vergeet wat hij zojuist gezegd heeft, maar zijn verontwaardiging is er niet minder om. Schuddend met de vuist vertelt hij hoe zijn Nederlandse agente Greta Baars-Jelgersma zijn boeken 'belabberd vertaalde,' veel te hoge honoraria eiste, nieuwe uitgaven blokkeerde en zonder zijn goedvinden alle rechten op de vertalingen claimde. 'Ze is de grootste plaag van mijn leven, maar ik heb mijn Kopenhaagse advocaten nu tegen haar in het geweer gebracht, dus we zullen zien wie er de sterkste is.' Na een half uur maakt zijn vrouw met thee en taartjes een eind aan het wat groteske gesprek en langzaam komt Laxness tot bedaren. Terug in Nederland bel ik mevrouw Baars, die verbaasd reageert op mijn weergave van Laxness' woorden: 'Mij is niets van zijn woede bekend. Ik heb zijn boeken in diverse landen laten uitgeven, ik blokkeer niets, integendeel, alles wat ik wil ondernemen loopt stuk op zijn advocaten, die mij tegenwerken. En dat zijn boeken in Nederland niet meer verkopen, kunt U mij niet kwalijk nemen.' Op mijn vraag voor welke landen ze als Laxness' agente optreedt, weigert ze antwoord te geven: 'Dat gaat U niets aan."

De hoofdredacteur van NRC-Handelsblad heeft een verzoek van 4 mei 1984 van klaagster tot het opnemen van een door haar opgestelde 'rehabilitatie-tekst' afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster verwijt betrokkene dat deze niet inging op haar uitnodiging tot een gesprek waarin klaagster meer achtergrondinformatie had kunnen geven. Als gevolg hiervan heeft betrokkene een aantal uitlatingen van Halldor Laxness gepubliceerd, die onjuistheden bevatten. Klaagster wijst er op dat onder andere vanwege de hoge leeftijd van de auteur rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat hij wellicht niet goed wist wat hij zei. In het door haar voorgestelde gesprek had zij betrokkene hierover kunnen inlichten. Klaagster voelt zich in het artikel aangetast in haar goede naam. Naar haar mening heeft zij de belangen van Halldór Laxness altijd goed behartigd. Volgens haar heeft zij ook altijd goede contacten met de auteur gehad. Er is geen sprake van dat zij te hoge honoraria heeft berekend. Zij ontving nooit meer dan het normale vertaalhonorarium en een bescheiden afsluitprovisie wanneer zij erin slaagde een boek in binnen- of buitenland bij een uitgever onder te brengen. Klaagster ontkent gezegd te hebben dat de advocaten van Laxness haar tegenwerken. Wel heeft zij opgemerkt dat de communicatie met deze advocaten moeizaam verliep.
Betrokkene meent dat zij correct heeft gehandeld. Zij heeft na haar terugkeer uit IJsland bij klaagster om commentaar gevraagd op de uitlatingen van Laxness. Deze uitte in het gesprek verschillende beschuldigingen jegens klaagster waarvan sommige veel verder gingen dan zij in het artikel heeft laten blijken. Zij betwist dat zij door klaagster uitgenodigd werd om naar Mook te komen voor een gesprek.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het hoofdbezwaar van klaagster is dat de aangevallen passages opzettelijk krenkend zijn
jegens haar, nu betrokkene naar haar mening bij haar had kunnen verifiëren dat de woorden van Halldór Laxness onjuistheden bevatten. Naar het oordeel van de Raad is dit verwijt onterecht. Door haar beschrijving van de auteur en het gesprek heeft betrokkene de lezers voldoende informatie gegeven om zich een juist oordeel te vormen over de waarde, die aan de uitlatingen van de auteur moet worden toegekend (betrokkene spreekt over 'het wat groteske gesprek' ). Door de weergegeven reactie van klaagster wordt eens te meer duidelijk dat over de uitlatingen van de auteur verschillend gedacht kan worden. De Raad heeft niet kunnen nagaan of de zinsnede 'alles wat ik wil ondernemen loopt stuk op zijn advocaten, die mij tegenwerken' in het tussen partijen gevoerde telefoongesprek wel of niet zo is gebezigd door klaagster.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene niet heeft gehandeld in strijd met haar journalistieke verantwoordelijkheid.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 7 februari 1985 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, J. L. de Troye, O. Postma ing., Drs. H. W. M. van Run en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1985, 1.