1984/9 ongegrond

Lolkama contra De Groot

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Drs. J. Lolkama tegen Pieter de Groot

DE KLACHT

Bij brief van 30 november 1983 met drie bijlagen heeft Drs. J. Lolkama (klager) te Akkrum een klacht ingediend tegen Pieter de Groot (betrokkene). Bij brief van 6 januari 1984 met één bijlage heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 juni 1984. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene was verhinderd, maar verzocht niet om uitstel.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten:
In de Leeuwarder Courant van 29 juli 1983 schreef betrokkene een recensie over het boek 'Keatserstaal' van Pieter Breuker. In de inleiding van deze recensie maakt betrokkene melding van het door klager geschreven boek over de kaatssport, dat de titel draagt 'Perken, parturen en koningen' en dat enige weken voordien verschenen was. Betrokkene maakt een aantal opmerkingen over de persoon van klager. Hij deelt mee dat klager verslagen schrijft over kaatswedstrijden voor landelijke dagbladen 'met... de Telegraaf voorop' en dat klager zijn typemachine meeneemt naar de perstribune zodat volgens geruchten 'zijn artikeltje eerder klaar is dan de wedstrijd is afgelopen'.
Dan volgt de hierna opgenomen passage over klagers studietijd. (Vertaling uit het Fries telkens volgens de bijlage bij de klacht).

'Hij was al niet meer een van de allerjongsten toen hij in Nijmegen begon, al snel zou hij zich doen kennen als een 'regelaar', die door zijn vlotte contactuele eigenschappen en de handigheid waarmee hij het ene vak na het andere onder de knie kreeg, groot respect afdwong bij zijn medestudenten en ook bij de hoogleraren, die zijn ijver graag beloonden. Hoogtepunt was zonder meer dat hij het voor elkaar kreeg in het kader van zijn studie politicologie - hij was intussen verhuisd van de Universiteit van Amsterdam - een scriptie te schrijven over de geschiedenis van de kaatsbal. In termen van volkssport nummer één in Nederland kan men hem een resultaat-voetballer noemen.'

De inleiding eindigt met de mededeling dat het boek van klager zelf al is besproken met als laatste zin 'Voor een goed begrip: ook bij mij staat: 'Perken, parturen en koningen op de eretribune, het is een vlot boek.'

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager heeft de volgende bezwaren tegen het geschrevene: er staan feitelijke onjuistheden in en daarnaast voelt hij zich in zijn eer en goede naam aangetast doordat het verloop van zijn studie in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Feitelijk onjuist is dat hij in de eerste plaats voor de Telegraaf zou schrijven of steeds zijn schrijfmachine zou meenemen naar de wedstrijden. Dit laatste is misschien één keer gebeurd. Wat het eerste betreft deelt klager mee dat hij al veel langer schrijft voor de Volkskrant en dat hij ook voor het Algemeen Dagblad schrijft.

Het hoofdbezwaar van klager richt zich tegen de boven overgenomen passage. Hier wordt volgens klager de indruk gewekt als zou hij niet alle examens en tentamens volgens de gewone normen hebben gehaald. Dit is onjuist. Er valt op deze punten niet te 'regelen'. De 'scriptie' waarover wordt gesproken is niet, zoals door klager wordt gesuggereerd, zijn doctoraalscriptie geweest maar een werkstuk voor een van de bijvakken. Klager vreest dat hij bij eventuele toekomstige sollicitaties - hij is docent maatschappijleer - nadeel van dit alles zal ondervinden.

Klager deelt ter zitting nog mee dat hij tevergeefs getracht heeft een en ander telefonisch met de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant te bespreken. Omdat hij niets verwachtte van de opname van een ingezonden brief heeft hij die niet geschreven, maar slechts zijn bezwaren kenbaar gemaakt in een brief, waarin hij gerechtelijke stappen aankondigt.
Betrokkene verwijst in zijn schriftelijke verweer onder andere naar het antwoord van 19 augustus 1983 van de hoofdredacteur op deze brief . Hierin wordt gesteld dat het geenszins de bedoeling is geweest klagers naam te bezoedelen en dat het woord 'regelaar' niet negatief moet worden opgevat.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht de feitelijke onjuistheden waarop klager heeft gewezen van ondergeschikt belang. Bij de beantwoording van de vraag of betrokkene de voor hem geldende regels van zorgvuldigheid heeft overschreden beperkt de Raad zich tot het tweede onderdeel van de klacht.
De Raad meent dat inderdaad door de gewraakte passage de indruk kan ontstaan als zou klager zijn bul niet volgens de gewone geldende normen hebben behaald. Het valt te betreuren dat betrokkene het enigszins dubieus klinkende woord 'regelaar' heeft gebezigd. De Raad is evenwel van oordeel dat klager hierdoor niet zo zeer in zijn belangen is geschaad dat in verband daarmede zou moeten worden geconcludeerd, dat betrokkene door het gebruik van deze kwalificatie over de schreef is gegaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat klager de mogelijk ontstane verkeerde indruk had kunnen wegnemen door een ingezonden brief.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 7 juni 1984 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, Mr. G. Dullens, A. G. Scherphuis en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 9.