1984/8 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van de Crisisgroep Weduwnaars

DE KLACHT

Bij brief van 22 juli 1983 heeft de Crisisgroep Weduwnaars (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van Studio en tegen de redactie documentaires TV van de KRO (betrokkene sub 1 en sub 2). Bij brieven van 15 december 1983 respectievelijk 9 november 1983 hebben betrokkenen zich verweerd.
De zaak is op basis van de schriftelijke stukken behandeld ter zitting op 19 april 1984.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken van de volgende feiten uit.

De KRO heeft t.b.v. een TV-uitzending de Crisisgroep Weduwnaars naam en adres gevraagd van een weduwnaar met kinderen. De Crisisgroep heeft de KRO in contact gebracht met twee weduwnaars met gezin. De opname van een van deze twee gezinnen is op 27 juni 1983 door de KRO uitgezonden. Aan het einde van de uitzending werd voor hulpvragen en informatie verwezen naar de FIOM en niet naar de Crisisgroep. Ook in het blad Studio, waar de bewuste uitzending wordt aangekondigd, wordt uitsluitend naar FIOM verwezen. Klager heeft geen expliciete afspraken met betrokkenen gemaakt over verwijzing ten behoeve van hulpverlening.

STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENEN

Klager is van mening dat het onfatsoenlijk is dat niet naar zijn instantie is verwezen na de uitzending. Dit terwijl juist door zijn bemiddeling de uitzending tot stand kon komen. Hetzelfde geldt m.m. voor de publikatie in Studio. Betrokkene sub 2 geeft aan dat de KRO voor de opvang van de reacties op de serie-uitzendingen over één-oudergezinnen naar één hulpverlenende instantie wilde verwijzen. Daarom verscheen na elke uitzending één telefoonnummer op het scherm. Met FIOM was afgesproken dat deze in voorkomende gevallen zou doorverwijzen onder andere ook naar de Crisisgroep. Betrokkene heeft ook zeker niet de indruk gegeven dat naar de Crisisgroep zou worden verwezen. Wat de publikatie in Studio betreft wordt gesteld dat het programmablad de lijn volgt die door de TV in dit soort uitzendingen wordt gevolgd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gedeelte van de klacht dat zich richt tegen de publikatie in Studio acht de Raad niet ontvankelijk. Hierin wordt geen zelfstandig redactioneel beleid gevoerd maar wordt slechts de TV-lijn gevolgd. Wat het andere gedeelte van de klacht betreft is de Raad van mening dat het noch vanzelfsprekend is noch in het algemeen regel is dat hulpverlenende organisaties die bemiddeld hebben ten behoeve van een uitzending in of na die uitzending worden vermeld. Vast staat dat met de redactie-documentaires TV geen afspraken daaromtrent zijn gemaakt. Klager mocht er niet op vertrouwen dat zijn afspraak met een radioafdeling van de KRO ook geldt ten aanzien van deze TV-uitzending.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond waar het de redactie documentaires TV betreft en niet-ontvankelijk waar het de redactie van Studio betreft.

Aldus vastgesteld ter zitting van 19 april 19 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, Mr. F. Kuitenbrouwer, Mw. T. Lücker, O. Postma ing, J. c Troye, leden, in aanwezigheid van Mw. Mr. P. Galama-Kuipers.

RvdJ 1984, 8.