1984/4 ongegrond

J. M. Spit contra L. J. Vankan

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van J. M. Spit tegen L. J. E. M. Vankan.

DE KLACHT

Bij brief van 17 februari 1983 heeft J. M. Spit (klager), neuroloog te Zwolle, een klacht ingediend tegen L. J. E. M. Vankan (betrokkene). Bij brief van 18 april 1983 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. Bij brief van 7 september 1983 heeft klager zijn klacht nader toegelicht waarna betrokkene zich bij brief van 22 september 1983 met 4 bijlagen nader heeft verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 februari 1984. Klager en betrokkene waren in persoon aanwezig.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten. Klager is als neuroloog verbonden aan het Sophia Ziekenhuis te Zwolle. Hij is betrokken geweest bij de behandeling in dit ziekenhuis van H. F. Bijsterbosch uit Wapenveld. Deze onderging in 1969 een operatie aan zijn hoofd en kwam opnieuw in het ziekenhuis terecht na een auto-ongeval in de nacht van 30 op 31 december 1977. Betrokkene heeft in het Algemeen Dagblad van 12 februari 1983 onder de kop 'Chirurgen aangeklaagd' en in grotere letters 'lijdensweg in het ziekenhuis' een artikel gewijd aan het verloop van de behandeling. Volgens het artikel is de patiënt Bijsterbosch 100% invalide verklaard na een reeks van misslagen in het ziekenhuis. Bijsterbosch wil schadeloos gesteld worden en heeft daartoe een advocaat ingeschakeld. Deze heeft een procedure voor de rechtbank voorbereid. In het artikel staat hierover:

'Zes chirurgen in de directie van het Sophia ziekenhuis moeten binnenkort voor de rechtbank verschijnen omdat zij ervan worden verdacht schuldig te zijn aan de ongeneeslijke invaliditeit van de 60jarige H. F. Bijsterbosch uit Wapenveld'. 'De Zwolse advocaat Mr. W. P. van Heulten stelt de chirurgen aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade van zijn cliënt'. 'Bijsterbosch en zijn raadsman stellen de medische specialisten J. Spit, J. Boevé, R. Ponsen, W. Sillevis Smit, D. W. Stol en H. Hollander persoonlijk verantwoordelijk...'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

De bezwaren van klager zijn de volgende.
1 . Hij is neuroloog maar i n het artikel wordt ten onrechte gesuggereerd dat hij chirurg is en dat hij als zodanig betrokken is geweest bij de behandeling. Als neuroloog had hij echter met de behandeling van de fractuur van de patiënt niet direct te maken en dus ook niet met de fouten van de chirurgen.
2. Het noemen van zijn naam, zeker nu onterechte suggesties worden gedaan, acht hij onjuist omdat dit schadelijk is voor zijn praktijk. 3. Zijn beroepsgeheim staat hem niet toe zich in het openbaar te verdedigen zodat ook om die reden zijn naam niet genoemd had mogen worden.
Betrokkene meent dat hij klager wel met naam in de publikatie mocht noemen. Hij verkreeg uitvoerige informatie over deze zaak van zowel de patiënt zelf als van diens advocaat. Daarbij kreeg hij inzage in stukken betreffende een voor het Medisch Tuchtcollege lopende procedure zowel als in de dagvaarding voor een civiele procedure. Volgens dit stuk wordt ook klager gedagvaard voor zijn aandeel in de zaak. Het ging immers om een serie fouten van een aantal specialisten. Het is niet tot een procedure gekomen omdat de zaak is geschikt met de verzekeraar.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad neemt als vaststaand aan dat klager door zijn ex-patiënt Bijsterbosch mede aansprakelijk is gesteld voor de gevolgen van bij de door hem ondergane behandeling gemaakte fouten. Betrokkene mocht dit feit in de openbaarheid brengen in zijn artikel omdat hij redelijkerwijs mocht menen dat het belang hiervan zwaarder weegt dan eventuele schade voor klager in zijn praktijk. Het feit dat betrokkene vanwege zijn beroepsgeheim niet in het openbaar op het artikel wil reageren doet hieraan niet af. Wel is de Raad van oordeel dat de berichtgeving iets nauwkeuriger had kunnen zijn. Door te spreken over 'zes chirurgen' en 'de chirurgen' wordt ten onrechte de indruk gewekt als zou klager ook chirurg zijn. Daar echter klager wel behoort bij de aansprakelijk gestelde medische specialisten acht de Raad dit van ondergeschikt belang.

BESLISSING

De Raad acht de klacht niet gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 9 februari 1984 door Mr H. B. Vroom, voorzitter, Mr T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Drs H. W. M. Van Run en J. M. J. P. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 4.