1984/3 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Dr. C. W. Aakster tegen R. Sijmons

DE KLACHT

Bij brief van 7 september 1983 met twee bijlagen heeft Dr. C. W. Aakster te Groningen (klager) een klacht ingediend tegen R. Sijmons te Amsterdam (betrokkene). Bij brief van 12 oktober met één bijlage heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 februari 1984. Klager en betrokkene waren in persoon aanwezig.

DE FEITEN

Klager, die medisch socioloog is, heeft in opdracht van de Werkgroep Natuurkliniek Nederland een rapport van 20 bladzijden geschreven over het nut van kuuroorden met het oog op de oprichting van een natuurkliniek in Nederland. Het rapport draagt de titel 'Plaats en mogelijkheden van het kuuroord in het geheel van de gezondheidszorg' en is verschenen in juni 1983. De Werkgroep Natuurkliniek Nederland heeft het rapport bij brief van 12 augustus 1983 aangeboden aan o.a. de redactie van het weekblad Vrij Nederland te Amsterdam. Betrokkene heeft in Vrij Nederland van 3 september 1983 in zijn vaste rubriek 'Kennis en Vernuft' aandacht besteed aan dit rapport.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager heeft tien bezwaren geformuleerd tegen het stuk van betrokkene. De Raad vat deze als volgt samen.
a. Betrokkene heeft nagelaten zich bij klager persoonlijk op de hoogte te stellen (1).
b. Betrokkene roept een eenzijdig beeld op van de kuuroorden (2).
c. Betrokkene suggereert dat klager en natuurgeneeswijzers louche zijn, vergelijkt hem met een nar (3, 5 en 9) en schrijft over hem: 'De wetenschappelijke onbetrouwbaarheid van deze unverfroren voorstander van alternatieve geneeswijzen stond al langer ter discussie toen hij zich liet lauweren met de Alfred Vogelprijs' (4). Klager acht zich door dit laatste in zijn goede naam aangetast. waarbij hij erop wijst dat betrokkene Alfred Vogel naar zijn mening ten onrechte een kwakzalver noemt en dat het door betrokkene in dit verband genoemde bedrijf Biohorma geen commerciële misleiders zijn, zoals betrokkene schrijft. Betrokkene doelt, zo veronderstelt klager, hier wellicht op de berisping van de Reclamecode-commissie over de aanduiding ' Dr. Alfred Vogel' waarvan ten onrechte de suggestie zou kunnen uitgaan dat Alfred Vogel arts is. De kwalificatie louche acht hij tenderend naar smaad, de genoemde vergelijking vindt klager beledigend.
d. Betrokkene geeft het rapport onjuist weer en verbindt daaraan onjuiste conclusies (6, 7. 8 en 10).
Betrokkene heeft in de eerste plaats bestreden dat de Raad bevoegd is over de klacht in al zijn onderdelen te oordelen. Voorzover betrokkene toch is ingegaan op de klacht mag daaruit niet worden afgeleid dat hij de bevoegdheid van de Raad verder erkent dan door hem is aangegeven.
Het verweer van betrokkene komt in hoofdzaak hierop neer dat het hem vrijstaat bij de bespreking van het rapport van klager zijn eigen visie op het onderwerp te geven, kritiek te leveren op de persoon van klager en de inhoud van dit rapport en daaruit conclusies te trekken nu dit gebeurd is op gefundeerde wijze.

BEVOEGDHEID VAN DE RAAD

In zijn verweerschrift stelt betrokkene: 'Uit het recensiekarakter van het gewraakte stuk volgt naar mijn mening onherroepelijk een principieel argument tegen beoordeling door uw Raad. U dient zich namelijk verre te houden van het toetsen van juistheid en betamelijkheid van meningen. De toetsing van juistheid van meningen geschiedt middels publikaties en tegenpublikaties; aan dat mechanisme heeft Aakster zich, althans wat betreft VN, onttrokken. Toetsing van betamelijkheid van meningen is voorbehouden aan burgerlijke rechter. Daar voelt Aakster zich, gezien de passages in zijn klacht, niet sterk genoeg voor'.
Ter zitting van de Raad heeft betrokkene hier nog aan toegevoegd dat naar zijn mening de Raad slechts bevoegd is een oordeel uit te spreken over de werkwijze van de journalist en niet over de inhoud van het journalistieke produkt, aangezien anders de vrijheid van meningsuiting van de journalist op ongeoorloofde wijze, namelijk buiten de daartoe bij uitsluiting bevoegde rechter om, zou worden aangetast. Ingevolge artikel 3, lid 1, van de statuten van de 'Stichting Raad voor de Journalistiek' heeft de Raad tot taak 'om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is'.
In Nederland komt de vrijheid om te oordelen over datgene waarover de Raad ter uitvoering van genoemde taak moet oordelen in beginsel aan een ieder toe. Deze vrijheid houdt niet op bij journalistieke meningsuitingen of bij gedragingen van journalisten waaromtrent ook een oordeel van de rechter - die overigens niet naar normen van maatschappelijke aanvaardbaarheid doch naar rechtsnormen oordeelt kan worden uitgelokt. Zulk een beperking geldt derhalve ook niet voor de leden van de Raad. Zoals het oordeel van de journalist over het handelen van de Raad aan de beoordelingsvrijheid van de Raad niet in de weg kan staan, zo kan de beoordeling van journalistieke gedragingen door de Raad niet leiden tot een inbreuk op of een inperking van de vrijheid van meningsuiting van de journalist. Dit laatste zou mogelijk anders zijn indien de Raad de bevoegdheid zou hebben aan zijn beoordeling sancties te verbinden.

Tegenover de Raad heeft de journalist geen juridische verplichting om aan de behandeling van een klacht mee te werken, noch om zich naar het oordeel van de Raad te richten. Tegenover de Raad heeft de journalist de vrijheid om in het geheel geen dan wel slechts ten dele medewerking te verlenen, ook al zou de Raad door gebrek aan medewerking van de zijde van de journalist niet in staat zijn zich op verantwoorde wijze een mening te vormen over een journalistieke gedraging waarover bij de Raad is geklaagd. In een dergelijk geval kan de Raad zijn taak niet verrichten en onthoudt hij zich van een oordeel.

Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat er voor de journalist goede redenen bestaan om wel degelijk zijn medewerking aan de behandeling van een tegen hem gerichte klacht te verlenen. Hij krijgt daardoor immers de gelegenheid zich maatschappelijk te verantwoorden. Tevens werkt hij daardoor mee - samen met de Raad en de oprichters van de Stichting Raad voor de Journalistiek', te weten: de Vereniging de Nederlandse Dagbladpers, het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Nederlandse Vereniging van Journalisten, de Nederlandse Omroep Stichting, de Nederlandse Nieuwsbladpers en de Nederlandse Organisatie van Tijdschrift-uitgevers - aan de bevordering van een professioneel hoogstaande beoefening van de journalistiek in Nederland. Uit het voorgaande volgt dat er voor de Raad geen aanleiding is om de onderhavige klacht, welke journalistieke gedragingen tot voorwerp heeft, niet te behandelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het ernstigste verwijt van klager betreft de aantasting in zijn goede naam, belediging en (bijna) smaad als samengevat onder c. De term 'louche' is echter door betrokkene niet gebruikt ten aanzien van klager maar ten aanzien van sommige natuurgenezers. Betrokkene schrijft over dezen: 'Een gezelschap waar de scheidslijn tussen integer en louche vaak nauwelijks waarneembaar is'. Naar het oor- deel van de Raad betrekt klager deze term ten onrechte op zich zelf. In de boven aangehaalde zinsnede 'De wetenschappelijke betrouwbaarheid ... etc.' zet betrokkene een vraagteken bij de betrouwbaarheid van klager als weten- schappelijk onderzoeker onder verwijzing naar het feit dat klager een prijs in ontvangst nam van een bedrijf waarover betrokkene bepaalde twijfels uitspreekt. Het gaat hier om geoorloofde, immers niet onzorgvuldige kritiek. Ook de vergelijking met een nar is in de min of meer schertsende stijl van het stuk niet onzorgvuldig en niet beledigend. Ten aanzien van de bezwaren als opgesomd onder a, b en d is het oordeel van de Raad als volgt. Bij de bespreking en becommentariëring van het rapport stond het betrokkene vrij zijn eigen visie op het onderwerp te geven. kritiek te leveren op de inhoud en daaruit conclusies te trekken. Het is de Raad niet gebleken dat betrokkene daarbij onzorgvuldig te werk is gegaan door feitelijke onjuistheden te vermelden. Het vragen van nader commentaar aan klager is geen vereiste van journalistieke zorgvuldigheid. Betrokkene mocht afgaan op hetgeen klager in zijn rapport heeft geschreven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht niet gegrond. De Raad verzoekt betrokkene om te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 9 februari 1984 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, D. F. Houwaart, Mr. T. Faber-de Heer, Drs. H. W. M. van Run en J. M. J . P. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 3.