1984/21 gegrond

Franken contra Drieskens en De Galan

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Michael Franken tegen John Drieskens en Léon de Galan

DE KLACHT

Bij brief van 16 juli 1984 met drie bijlagen heeft Mr. R. A. Kiek te Den Haag namens Michael Franken te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het weekblad Panorama, John Drieskens, en Léon de Galan (betrokkenen). Bij brief van Mr. P. A. M. Hendrick van 8 oktober 1984 met één bijlage hebben betrokkenen zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 december 1984. Namens klager verscheen Mr. R. A. Kiek voornoemd. Betrokkenen waren in persoon aanwezig evenals Mr. P. A. M. Hendrick.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In de aflevering van het weekblad Panorama van 20 april 1984 is een artikel verschenen over vrouwenhandel en souteneurschap in verband met in bepaalde delen van Den Haag uitgeoefende prostitutie. Volgens het artikel gaat het hierbij veelal om vrouwen, die vanuit arme landen zoals Colombia naar Nederland zijn gelokt met de voorspelling dat zij er goedbetaalde banen zouden krijgen. In werkelijkheid worden deze vrouwen vervolgens gedwongen zich met prostitutie bezig te houden, waarbij zij via cocaïneverslaving in de macht gebracht worden van hun souteneurs. Het artikel noemt als hoofd van de organisatie Vilma Evelyn Franken, van wie een foto bij het artikel staat afgedrukt.
In het artikel wordt melding gemaakt van een actie van de Haagse recherche met onder meel de volgende passage:

'Vier meisjes - in leeftijd variërend van 22 tot 31 jaar - legden belastende getuigenverklaringen af waardoor de belangrijkste souteneurs/vrouwenhandelaren gearresteerd konden worden. Als eerste werd Vilma Evelyn Franken (28) opgepakt. Een dag later werd de 26-jarige N. J. de D., de 'vaste' vriendin van Vilma, aangehouden. Nog geen week later, op woensdag 25 januari, werden de 26-jarige Michael Franken - de broer van Vilma - en de 30-jarige E. R. F. gearresteerd. Kort daarop werd de 37-jarige Ton van der L. - een Haagse bordeelhouder - van de straat geplukt.'

Het artikel is geschreven door Léon de Galan.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager maakt er bezwaar tegen dat hij met naam en toenaam betiteld wordt als souteneur/vrouwenhandelaar. Klager ontkent zich aan souteneurschap of vrouwenhandel te hebben schuldig gemaakt. Hij is daar noch voor vervolgd, noch voor veroordeeld. In de tegen hem aanhangig gemaakte zaak ging het om overtreding van de Opiumwet. De in het artikel gegeven voorstelling van zaken als zou hij een van de belangrijkste vrouwenhandelaren/souteneurs zijn is derhalve feitelijk onjuist. Klagers tweede bezwaar richt zich tegen het feit dat hij als verdachte in een strafzaak niet slechts met zijn initialen is aangeduid maar met zijn volle naam waardoor hij in zijn belangen is geschaad zonder dat daar een algemeen belang mee werd gediend.
Betrokkenen verklaren dat bij publikaties in Panorama verdachten in een strafzaak gewoonlijk met initialen worden aangeduid. In het onderhavige geval is daarvan afgeweken om de volgende reden. De hoofdpersoon van de door de politie aangepakte organisatie was Vilma Franken, een zuster van klager. Deze schuwde de publiciteit niet maar zocht die zelf.
De vrouwenhandel/het souteneurschap waarvan Vilma Franken werd verdacht stond in nauw verband met de handel in cocaïne. omdat de prostituée's middels hun verslaving aan het werk werden gehouden. Aldus kregen betrokkenen de indruk dat het hier om een familiezaak ging zodat zij ervan uitgingen dat ook klager zijn aandeel zou hebben aan vrouwenhandel/souteneurschap en dat hij met het bekendmaken van zijn identiteit geen moeite zou hebben.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het niet onbegrijpelijk dat bij betrokkenen de indruk is ontstaan als zou klager betrokken zijn geweest bij de vrouwenhandel/het souteneurschap op verdenking waarvan zijn zuster werd gearresteerd nu klager te zelfder tijd werd aangehouden. Dit neemt niet weg dat zij klager niet als dader van bedoelde strafbare feiten hadden mogen opvoeren, daar het op het moment van de arrestatie door de politie nog slechts om verdenkingen ging. Het feit dat de zuster van klager, volgens de onweersproken stelling van betrokkenen, voor zichzelf publiciteit zocht was geen reden klager niet slechts met zijn initialen aan te duiden zoals in het artikel wel is gebeurd ten aanzien van de andere gearresteerde personen.
De Raad meent derhalve dat betrokkenen niet de vereiste zorgvuldigheid jegens klager in acht hebben genomen door hem als een van de hoofddaders van bepaalde strafbare feiten te bestempelen zonder dat daar zekerheid over bestond, en door op grond van zijn familierelatie met de hoofddader zijn identiteit bekend te maken zonder dat dit door enig specifiek belang werd gerechtvaardigd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 6 december 1984 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, O. Postma ing., J. L. de Troye, Drs. H. W. M. van Run en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in het weekblad Panorama te publiceren.

RvdJ 1984, 21.