1984/17 ongegrond

H.M.G. Lenen contra Carolijn Visser

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van H.M.G. Lenen tegen
Carolijn Visser.

DE KLACHT

Bij brief van 3 januari met drie bijlagen en aanvullende brief van 9 januari met één bijlage heeft H. M. G. Lenen te Nijmegen (klager) een klacht ingediend tegen Carolijn Visser (betrokkene). Deze heeft zich tegen de klacht verweerd door middel van een verweerschrift met één bijlage van haar advocaat Mr. H. B. Reinalda.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 september 1984 waarbij klager een schriftelijke repliek met twee bijlagen heeft overhandigd. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene was aanwezig samen met haar raadsman. Deze heeft na de behandeling nog een op schrift gestelde dupliek bij de Raad ingediend.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager heeft als medewerker van het Geografisch Instituut van de Universiteit van Nijmegen met een reisbeurs van de Stichting WOTRO een onderzoek uitgevoerd naar de dynamiek in de ontwikkeling van ambachtelijke bedrijvigheid in Nicaragua. Tijdens het verblijf van klager in Nicaragua vond een ontmoeting plaats met betrokkene. Hierbij waren ook andere Nederlanders, die op dat moment in Nicaragua verbleven, aanwezig.
In de editie van 10 december 1983 van NRCHandelsblad is een artikel verschenen van betrokkene over haar bevindingen in Nicaragua. In dit stuk komen de volgende passages voor.

'Een paar dagen later kom ik weer in het huis van Ruurd. Deze keer om twee mensen die daar logeren te bezoeken. Arie Lenen doet sinds een aantal maanden wetenschappelijk onderzoek naar coöperaties in Nicaragua. Hij heeft daarvoor een subsidie van de stichting Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek gekregen en ontvangt een salaris als wetenschappelijk medewerker. "Eigenlijk doe ik dit onderzoek voor de Nicaraguaanse overheid", zegt hij. "Ik kan uitzoeken waar de knelpunten zitten en ook de mensen in de coöperaties testen op hun politieke denkbeelden. Dat gaat dan via een beetje een omweg, maar één vraag op het enquêteformulier luidt bijvoorbeeld: Wat is volgens U de taak van de massa-organisaties? Daar kun je wel uit afleiden in hoeverre de mensen revolutionair denken"'.

'Het wordt later. Ik vraag Arie of hij deelneemt aan de trainingen van de militia, het vrijwilligersleger. Hij lacht. "Daar geef ik geen antwoord op. Dat wordt in Nederland allemaal zo zwaar opgevat' Als je daar uitspraken over doet breng je bovendien je staatsburgerschap in gevaar. Maar het stelt
niet veel voor, die militia, het is gewoon hartstikke leuk"'.

'Het gesprek komt op het volkstribunaal dat sinds deze zomer in Managua is ingesteld en waardoor mensen worden berecht. Marijke: "Dat is wel een akelige naam vind ik. Je hoort de laatste tijd trouwens dat ook mensen daar voor moeten komen die een economisch delict hebben gepleegd. En dat die processen niet helemaal rechtvaardig verlopen'. Dan zegt Arie tegen haar: "Alsof dat in het Westen wel zo is". Daar is Marijke het ook wel weer mee eens. Maar toch gebeuren er dingen, houdt ze vol, die niet helemaal kloppen. Er worden bijvoorbeeld nooit krijgsgevangenen gemaakt. Hoe kan dat nou? Wat gebeurt er eigenlijk met krijgsgevangenen? Arie: "Ik weet het niet hoor. Ik kan trouwens vanuit een puur militair standpunt wel begrijpen dat ze geen kampen willen maken voor die krijgsgevangenen. Ja, dat kost natuurlijk een hele hoop geld". Dat is ook weer waar, vindt Marijke'.

In NRC-Handelsblad van 7 januari 1984 is een ingezonden brief van klager opgenomen waarin hij protest aantekent tegen het artikel. Deze brief is voorzien van een naschrift van betrokkene.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

De bezwaren van klager zijn de volgende:

1. Hij wordt letterlijk geciteerd zonder dat er een interview heeft plaatsgevonden, of zonder dat betrokkene hem ooit kenbaar heeft gemaakt zijn uitlatingen voor een artikel te willen gebruiken.
2. Er wordt onjuiste informatie verschaft.
3. Deze informatie wordt zo weergegeven dat ze suggestief werkt in negatieve zin, waarbij zijn persoon ondubbelzinnig in discrediet wordt gebracht.
Klager stelt dat hij in Nicaragua slechts enkele vrijblijvende gesprekken gevoerd heeft met betrokkene, waarbij hem wel bekend was dat zij free-lance journaliste is. In deze gesprekken gaf betrokkene te kennen op zoek te zijn naar interessante thema's om over te kunnen schrijven. Klager heeft haar hiervoor zelfs enkele suggesties gedaan. Betrokkene heeft echter niet kenbaar gemaakt uit die gesprekken zelf te zullen putten. Zij heeft in het bijzijn van klager ook geen aantekeningen gemaakt. Een dialoog, zoals in het artikel weergegeven, heeft nimmer plaatsgevonden.
Klager betwist dat hij de uitlatingen, die hem in de mond worden gelegd, heeft gedaan. Hij heeft niet gezegd dat hij voor de Nicaraguaanse overheid werkt. Wel deed hij, zoals gebruikelijk bij onderzoek in ontwikkelingslanden, verslag van de onderzoeksresultaten aan het Ministerie van Industrie van Nicaragua. De Stichting WOTRO, die hem een reisbeurs verschafte is een ander orgaan dan de Stichting Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek, al ressorteert WOTRO onder ZWO.
De vraag 'Wat is volgens U de taak van de massa-organisaties?' komt in de door klager gebruikte enquêteformulieren niet voor, zoals is aan te tonen uit de exemplaren, die klager nog in zijn bezit heeft.
Ook de uitspraken over de militia en het maken van krijgsgevangenen zijn niet door hem gedaan. Met betrekking tot deze stelling is door klager een getuigenverklaring overgelegd.
Om de suggestieve werking van het artikel te illustreren heeft hij overgelegd een stuk van Tamar in Vrij Nederland van 17 december 1983, waarin deze op de artikelen van betrokkene ingaat.
Betrokkene wijst er op dat het gesprek met klager en een aantal andere Nederlanders een gehele avond, inclusief de tijd voor een maaltijd aan het begin daarvan, in beslag heeft genomen. Klager wist dat zij free-lance journaliste was en dat zij de bedoeling had om over haar bevindingen in Nicaragua te schrijven. Betrokkene erkent dat zij tijdens het gesprek geen aantekeningen of bandopnames heeft gemaakt. Wel heeft zij direct bij thuiskomst de verkregen informatie op papier gezet, een werkwijze die zij vaker toepast. Volgens betrokkene had zij tevoren een aantal vragen in haar hoofd, die ook door haar zijn gesteld. Zij meent over een zo goed geheugen te beschikken, dat zij in staat was om bij het uitwerken van het verzamelde materiaal letterlijk weer te geven hetgeen door klager is gezegd. Betrokkene legt een getuigeverklaring over waarin wordt bevestigd dat haar weergave van de gesprekken juist is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Aan het eerste bezwaar van klager lijkt de gedachte ten grondslag te liggen dat betrokkene alleen uit het met klager gevoerde gesprek had mogen publiceren indien dit had plaatsgevonden in de vorm van een tevoren afgesproken interview. De Raad acht dit geen vereiste.
Wel had betrokkene in de omstandigheden waaronder dit gesprek plaatsvond wellicht aanleiding kunnen zien duidelijk te maken, dat zij de mogelijkheid open hield, uit het op die avond besprokene te putten voor haar artikelen. Anderzijds had klager daar ook zelf rekening mee kunnen houden nu hij wist dat betrokkene free-lance journaliste was en dat zij in Nicaragua op zoek was naar thema's om over te schrijven. De Raad laat hierbij meewegen dat volgens onweersproken informatie uit het artikel de Nederlandse ontwikkelingswerkers in Nicaragua zo regelmatig benaderd werden door journalisten, dat zij een perswoordvoerster hadden aangesteld. Mede op grond hiervan moet klager geacht worden voldoende op de hoogte te zijn geweest met de wijze waarop journalisten doorgaans hun werk verrichten.
Met betrekking tot klagers bezwaar tegen de inhoud van de hem in de mond gelegde uitlatingen overweegt de Raad het volgende. Gezien de werkwijze van betrokkene zijn onvolkomenheden in de weergave van letterlijke uitspraken goed denkbaar. De Raad neemt aan dat dit het geval is met betrekking tot de door betrokkene in haar artikel geciteerde vraag uit de door klager gebruikte enquêteformulieren. Ook de mededeling dat klager zou werken 'voor de Nicaraguaanse overheid' is naar het oordeel van de Raad niet juist gebleken.
Het is voor de Raad niet mogelijk vast te stellen of de andere door klager aangevallen uitlatingen al dan niet door hem zijn gedaan nu klager en betrokkene elkaar op dit punt tegenspreken evenals de overgelegde getuigenverklaringen.

Over het derde bezwaar heeft de Raad reeds daarom niet te oordelen, omdat hij niet wil
treden in de vrijheid van de journalist om informatie, mits feitelijk niet onjuist, naar eigen inzicht in te kleden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht in hoofdzaak ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 oktober 1984 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Drs. H. W. M. van Run en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 17.