1984/16 ongegrond

Pakhuis Amerika contra L. de Fauwe c.s.

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Pakhuis Amerika tegen K. Tamboer en L. de Fauwe

DE KLACHT

Bij brief van 11 juli 1983 met elf bijlagen heeft de directeur van Pakhuis Amerika te Amsterdam namens deze organisatie (klaagster) een klacht ingediend tegen K. Tamboer en L. de Fauwe (betrokkenen). Bij brief van 28 september 1983 met een later toegezonden bijlage hebben betrokkenen zich tegen de klacht verweerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 oktober 1984. Namens klaagster was aanwezig R. Scott, samen met een tolk. Betrokkenen zijn in persoon verschenen.

DE FEITEN

De organisatie van klaagster houdt zich bedrijfsmatig bezig met het in stand houden van een therapeutisch centrum te Amsterdam. De Amerikaanse therapeute Nadine Scott is de oprichtster en leidster van Pakhuis Amerika. Bij de hoofdinspecteur voor de Geestelijke Volksgezondheid in Noord-Holland werden door een aantal ex-cliënten van het centrum klachten ingediend over geestelijke en lichamelijke mishandeling tijdens de therapieën. Naar aanleiding hiervan heeft betrokkene De Fauwe in Het Parool van 13 juni 1983 onder de titel 'Ellende in Pakhuis Amerika' een artikel geschreven over deze klachten en het instituut van klaagster.
In Het Parool van 14 juni 1983 heeft zij onder de titel 'Repliek leidster Pakhuis Amerika "de waarheid verdraaid"' verslag gedaan van een vraaggesprek met Nadine Scott. Bij brief van 14 juni 1983 is van de zijde van klaagster aan betrokkene Tamboer een ingezonden stuk aangeboden van acht bladzijden. Betrokkene Tamboer heeft bij brief van 15 juni 1983 gemotiveerd meegedeeld waarom hij niet tot plaatsing van dit stuk zou overgaan. Ook een latere van de zijde van klaagster ingezonden brief van één pagina is door betrokkene Tamboer voor publikatie afgewezen, hetgeen hij bij brief van 27 juni 1983 gemotiveerd aan klaagster heeft meegedeeld.

DE STANDPUNTEN VAN KLAAGSTER EN BETROKKENE

Klaagster is van oordeel dat zij na het artikel van 13 juni 1983 recht had op een weerwoord. Klaagster is het er niet mee eens dat het artikel van 14 juni 1983, waarin haar oprichtster Nadine Scott aan het woord wordt gelaten, als een weerwoord kan gelden.
Klaagster wijst er op dat Nadine Scott tijdens haar gesprek met betrokkene De Fauwe nog geen kennis had kunnen nemen van het artikel omdat dat toen nog niet was gepubliceerd. Klaagster verwijt betrokkene De Fauwe dat zij het artikel niet aan Nadine Scott heeft voorgelegd. In de publikatie over het vraaggesprek van 14 juni 1983 wordt ten onrechte de indruk gewekt dat Nadine Scott reageert op het gestelde in dat eerste artikel.
Klaagster meent dat betrokkene om deze redenen het ingezonden stuk of de latere verkorte versie daarvan had moeten publiceren.

Betrokkene meent dat de publikatie van het vraaggesprek met Nadine Scott op 14 juni 1983 wel degelijk een voldoende weerwoord vormt op het artikel van betrokkene De Fauwe van de dag daarvoor. Aan het einde van de eerste publikatie is het gesprek met Nadine Scott voor de volgende dag aangekondigd.
Betrokkene De Fauwe wijst er op dat zij bij de voorbereiding van het eerste artikel zelf contact zocht met de organisatie van klaagster. Haar werd door de directeur te kennen gegeven dat klaagster geen behoefte had aan commentaar op het feit dat er klachten waren ingediend bij de Inspectie voor de Volksgezondheid. Klaagster gaf er de voorkeur aan het onderzoek van de Inspectie af te wachten.
In hetzelfde gesprek werd aan betrokkene De Fauwe desgevraagd meegedeeld dat Nadine Scott pas over enkele weken in Amsterdam zou zijn. Op vrijdagochtend 10 juni 1983 werd zij onverwacht uitgenodigd nog diezelfde middag kennis te maken met mevrouw Scott, welke uitnodiging op haar verzoek geleid heeft tot een vraaggesprek. In dat gesprek heeft zij Nadine Scott geconfronteerd met de inhoud van klachten, zoals die in haar artikel van 13 juni aan de orde komen. Klaagster heeft dus alle gelegenheid gehad daarop te reageren. Betrokkene De Fauwe heeft er nog op gewezen dat Nadine Scott tijdens het gesprek in gezelschap was van de directeur van het centrum, twee stafmedewerksters en haar zoon. Wat betreft de ingezonden stukken, volgens betrokkenen was het eerste stuk niet alleen veel te lang, beide stukken vormden geen antwoord op de inhoud van het eerste artikel, namelijk de klachten bij de Inspectie. Slechts wordt daarin een uiteenzetting gegeven over de werkwijze van het Instituut.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad kan de publikatie van het vraaggesprek met klaagster beschouwd worden als een behoorlijk weerwoord op het artikel van de dag daarvoor. Uit het vraaggesprek blijkt dat daarin de essentie van de klachten, die in de eerste publikatie aan de orde komen, met klaagster is besproken. Betrokkenen waren niet verplicht, zoals klaagster kennelijk meent, de tekst van het eerste artikel aan klaagster voor te leggen. De Raad overweegt hierbij dat klaagster op de hoogte was van het feit dat er een artikel zou volgen en dat zij in eerste instantie zelf geweigerd heeft commentaar te geven. Het is de Raad niet gebleken dat in de aangeboden ingezonden stukken informatie werd gegeven, die een nieuw licht op het aangesneden onderwerp wierpen. De Raad meent dat de weigering om tot publikatie van de ingezonden stukken over te gaan dan ook geen journalistieke onzorgvuldigheid oplevert.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 4 oktober 1984 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, D. F. Houwaart, Drs. J. F. T. Vugts, J. M. J. P. Verstegen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 16.