1984/15 ongegrond

Willemsen contra Van der Kooij

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van Drs. M.J. Willemsen tegen Paul van der Kooij

DE KLACHT

Bij brief van 21 januari 1984 met één bijlage heeft Drs. M.J. Willemsen te Voorschoten (klager) een klacht ingediend tegen Paul van der Kooij (betrokkene). Bij brief van 17 februari 1984 heeft deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 oktober 1984. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene is zonder opgave van redenen niet verschenen. Wel was aanwezig P.J. Hovingh, hoofdredacteur Randstad-Edities.

DE FEITEN

Klager is fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad van Voorschoten. Klager heeft de tekst van de algemene beschouwingen van de VVD bij de behandeling van de begroting van het jaar 1984 tevoren aan de pers uitgereikt. Bij het uitspreken van de tekst heeft klager het gedeelte weggelaten dat kritiek bevatte op het D'66-raadslid Aijkens. Betrokkene heeft aan dit feit een artikel gewijd in het huis-aan-huis blad 'Groot Voorschoten' (editie 4 januari 1984) onder de titel 'VVD slikt openlijke kritiek op Aijkens in'. In het artikel wordt de inhoud van het weggelaten gedeelte bekend gemaakt.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager acht het in strijd met de goede journalistieke gebruiken dat het niet uitgesproken gedeelte van zijn rede toch is gepubliceerd ook al is de vooraf onder de pers verspreide tekst in principe openbaar zodra het tijdstip van het embargo, waaronder de tekst is verstrekt, verstreken is.
Betrokkene heeft gesteld dat de op schrift gestelde beschouwingen een openbaar stuk vormden waarop slechts een tijdsembargo van toepassing was, waaraan hij zich heeft gehouden. Hij achtte het een nieuwsfeit van belang dat de fractievoorzitter van de VVD een uitval naar de fractie van D'66 tegen zijn voornemen in achterwege liet. Klager heeft nagelaten hem duidelijk te maken dat hij niet gesteld was op aandacht aan een en ander in de pers.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met klager en betrokkene is de Raad van oordeel dat de tekst van de rede van klager na het verstrijken van het tijdsembargo in beginsel vrij was voor publikatie. De omstandigheid dat klager die tekst voor het uitspreken van zijn rede aan betrokkene heeft gegeven om deze daarmee van dienst te zijn belette betrokkene niet om het niet door klager uitgesproken gedeelte van die tekst als zodanig te publiceren. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien klager betrokkene gemotiveerd zou hebben verzocht niet tot publikatie van het niet-uitgesproken gedeelte van de tekst over te gaan. Een dergelijk verzoek is echter door klager, naar deze zelf heeft bevestigd, niet gedaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 4 oktober 1984 door Mr. H.B. Vroom, voorzitter, D.F. Houwaart, Drs. J.F.T. Vugts, J.M.J.P. Verstegen en A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten. secretaris.

NASCHRIFT

De secretaris van de Raad ontving bericht van de heer P. van der Kooij dat hij de oproep voor de behandeling niet heeft ontvangen. Gebleken is dat in de uitgaande brieven van de Raad een verkeerd huisnummer is gebruikt.

RvdJ 1984, 15.