1984/14 gegrond

M. J. Dörr contra Peereboom en De Jong

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van M.J. Dörr tegen E. Peereboom en H. de Jong

DE KLACHT

Bij brief van 18 juli 1983 en aanvullend schrijven van 12 oktober 1983 heeft M. J. Dörr te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen E. Peereboom en H. de Jong (betrokkenen). Bij brief van 1 december 1983 hebben dezen zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 1984 alwaar klager en betrokkene De Jong in persoon aanwezig waren, de eerste met zijn advocaat Mr. H. A. van Maarle. De behandeling van de zaak is voortgezet op 20 september 1984 teneinde betrokkene Peereboom in de gelegenheid te stellen zijn verweer mondeling toe te lichten. Deze maakte daarvan geen gebruik. Bij brief van 9 september 1984 gaf hij een nadere toelichting op zijn standpunt. Klager was wel in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klager is handelaar in onroerend goed en heeft als zodanig ook bemiddeld bij het verkrijgen van leningen door aspirant kopers. Klager oefende zijn bedrijf uit middels een besloten vennootschap. Deze is op 13 oktober 1981 in staat van faillissement verklaard. Op 3 november volgde het faillissement van klager in privé. Klager werd in de loop van het faillissement, juni 1982, gegijzeld wegens weigerachtigheid tot het geven van inlichtingen aan de curator. Naar aanleiding van tegen klager ingediende aanklachten wegens o.a. oplichting werd tegen hem tevens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Betrokkenen hebben aan deze zaak aandacht besteed in het radio-programma 'Wat koop ik daarvoor', uitgezonden door de NOS-radio op 21 december 1982 van 15.03 uur tot 15.30 uur. In dit programma zijn door betrokkene Peereboom de volgende uitlatingen gedaan:

'... want wat heeft mijnheer Dörr o.a. op z'n kerfstok, namelijk allerlei centjes van vele huizenkopers in zijn bezit, in vertrouwen aan hem gegeven, waar die huizenkopers nog steeds op zitten te wachten. Velen hebben hun huizen inmiddels weer moeten verkopen. Nou, die centjes heeft hij elders ondergebracht, in het buitenland...' en '... bleef de ABN in Haarlem transacties uitvoeren met deze oplichter, de heer Dörr'.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENEN

Klagers bezwaren richten zich tegen de boven aangehaalde passages uit het radioprogramma. Volgens klager wordt hij ten onrechte beschuldigd van de verduistering van gelden van huizenkopers. Hij trad op als bemiddelaar bij de aankoop van huizen en het regelen van de financiering daarvoor. Hij ontving daarvoor provisie van de geldgevende instellingen. Uit dien hoofde kreeg hij derhalve nimmer geld van de huizenkopers onder zich. Wel gebeurde het soms dat het aan de huizenkopers geleende geld op zijn rekening werd gestort. Dit gebeurde dan echter met hun uitdrukkelijke toestemming. Het feit dat hij op verzoek van de curator in zijn faillissement werd gegijzeld wegens het (vermeend) niet verstrekken van inlichtingen over de financiële gang van zaken in zijn bedrijf betekent nog niet dat hij gelden van huizenkopers heeft verduisterd. Evenmin mocht dit als vaststaand gegeven worden gepresenteerd vanwege het feit dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hem was ingesteld. Ook de term 'oplichter' werd ten onrechte gebruikt nu niet vast stond tot welke uitkomst het strafrechtelijk onderzoek zou leiden
Betrokkenen stellen hier tegenover dat volgens inlichtingen van de curator in het faillissement voor bepaalde gelden geen verantwoording te vinden was. Anderzijds stond vast dat een aantal huizenkopers, voor wie klager als bemiddelaar was opgetreden, strafklachten tegen hem hadden ingediend. In het radioprogramma heeft men tot uitdrukking willen brengen dat klager lichtvaardig omging met het geld van anderen. De term oplichter is in het radioprogramma wellicht wat lichtvaardig gebruikt, maar de in de strafzaak vastgestelde feiten hebben achteraf de juistheid van de term bewezen. Betrokkenen wijzen er nog op dat de desbetreffende regels tekst nog geen kwart minuut van de uitzendtijd van dit live-programma hebben uitgemaakt.
Klager wijst er op dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem gegeven strafrechtelijke veroordeling.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Daargelaten dat betrokkenen, naar de mening van de Raad, de gronden voor de gijzeling en die voor de ingediende strafklachten op slordige wijze met elkaar hebben vermengd, was het onjuist een verduistering van gelden als een vaststaand feit te presenteren voordat de schuldigheid van klager gerechtelijk was vastgesteld. Voorts gaat het niet aan kwalificaties als 'oplichter' te gebruiken zolang een strafrechtelijk onderzoek nog niet tot een veroordeling heeft geleid.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen in deze twee onderdelen onzorgvuldig gehandeld hebben en acht de klacht in zoverre gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in haar uitzendingen op te nemen.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 20 september 1984 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D.F. Houwaart, Drs. H.W.M. van Run en T. Lücker, leden in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 14.