1984/13 deels gegrond

P.M. Adriaanse contra Lelystad Courier

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van P. M. Adriaanse tegen de hoofdredacteur van de Lelystad Courier.

DE KLACHT

Bij brief van 19 juni 1983 met vijf bijlagen heeft P. M. Adriaanse te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Lelystad Courier (betrokkene). Bij brieven van 5 november 1983, 16 januari, 7 mei en 14 mei 1984 met verschillende bijlagen heeft klager de Raad op de hoogte gehouden van zijn correspondentie met betrokkene over regeling van zijn zaak. Bij brief van 7 juni 1984 met drie bijlagen heeft betrokkene zich tegen de klacht verweerd. De Raad heeft op 13 september 1984 over de zaak een beslissing genomen op grond van bovengenoemde stukken.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten. Klager heeft in de jaren 1981, 1982 en 1983 in het Amsterdamse stadsdeel Buitenveldert een actie georganiseerd om plantsoenen en struiken te ontdoen van papier, plastic, blikjes en ander vuil. Klager is op het idee gekomen daarbij gebruik te maken van een grijper, die ontwikkeld is om het handbereik van gehandicapten te vergroten.
In de Lelystad Courier van 9 maart 1983 wordt aandacht besteed aan de schoonmaakactie in Buitenveldert. Als initiatiefnemer wordt genoemd K. van der Kluft uit Lelystad. Deze zou ook op het idee gekomen zijn bovengenoemd apparaat als vuilgrijper te gebruiken. Bij het artikel staat een foto van K. van der Kluft met de vuilgrijper afgedrukt.
Bij brief van 4 mei 1983 heeft klager de redactie van de Lelystad Courier onder toezending van bewijsmateriaal op de onjuistheid van het artikel gewezen met het verzoek om een reactie. Bij brief van 19 mei 1983 en bij aangetekend schrijven van 8 juni van dat jaar heeft hij de redactie gerappelleerd, echter zonder resultaat. Klager heeft vervolgens bij brief van 19 juni 1983 te dezer zake een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek.
Betrokkene heeft niet gereageerd op de uitnodigingen van de Raad van 25 juli en 9 september 1983 om een reactie op de klacht. Deze reactie volgde eerst op de brief van de Raad van 6 oktober 1983, gericht aan een ander adres. Bij brief van 12 oktober 1983 heeft betrokkene klager verzocht zijn visie op papier te zetten. Bij brief van 24 januari 1984 heeft betrokkene klager een concept tekst voor een ingezonden stuk voorgelegd.

DE STANDPUNTEN VAN KLAGER EN BETROKKENE

Klager verwijt betrokkene dat deze niet direct na kennisneming van de onjuistheden uit het artikel van 9 maart 1983 een rectificerend bericht heeft geplaatst. Klager gaat ervan uit dat betrokkene reeds zijn eerste brief van 9 mei ontvangen moet hebben nu hij van de zijde van de PTT bevestiging heeft gekregen dat zijn aan hetzelfde adres gerichte aangetekende brief van 8 juni in ontvangst is genomen door betrokkene, F. Stegeman, zelf. Klager verbindt hieraan de conclusie dat betrokkene bewust heeft meegewerkt aan het door F. van der Kluft gepleegde bedrog.
Betrokkene heeft in zijn correspondentie met klager ontkend voor de brief van de Raad van 6 oktober 1983 enige brief betreffende de klacht ontvangen te hebben. Bij zijn verweer van 7 juni 1984 heeft betrokkene volstaan met te verwijzen naar zijn brief van 12 oktober 1983 aan klager met het verzoek om een nadere schriftelijke uiteenzetting betreffende de feiten en zijn brief van 24 januari 1984 met de concept tekst voor een door klager te schrijven ingezonden stuk.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ten aanzien van de inhoud van het gewraakte artikel van 9 maart 1983 constateert de Raad het volgende. Dat K. van der Kluft uit Lelystad initiatiefnemer zou zijn voor de schoonmaakactie en 'uitvinder' van de vuilgrijper heeft betrokkene als feiten gepresenteerd. Betrokkene draagt derhalve verantwoordelijkheid voor het als waarheid presenteren van die feiten. Het had daarom op de weg van betrokkene gelegen uit eigen beweging een rectificatie te plaatsen zodra hij middels de brieven van klager en de daarbij toegezonden eerdere publikaties op de hoogte werd gebracht van de ware toedracht. De Raad acht het aannemelijk dat reeds de eerste brief van klager, namelijk die
van 4 mei 1983, betrokkene heeft bereikt en in ieder geval de aangetekende brief van 8 juni 1983.
De latere pogingen van betrokkene om, nadat de klacht was ingediend, alsnog tot een genoegdoening te komen acht de Raad onvoldoende om het eerste nalaten goed te maken. Ten onrechte heeft namelijk betrokkene het slagen van die pogingen afhankelijk gesteld van de medewerking van klager. Betrokkene had, naar het oordeel van de Raad, zelf en voor eigen verantwoording de juiste toedracht moeten publiceren, nu hij immers in de omstreden publikatie ook voor eigen verantwoording Van der Kluft initiatiefnemer had genoemd.
Van bewuste misleiding door betrokkene is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld door onjuiste informatie niet adequaat te rectificeren en acht de klacht in zoverre gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Lelystad Courier te publiceren.

Aldus vastgesteld in de zitting van de Raad van 13 september 1984 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, J. L. de Troye, Mr. G. Dullens, Drs. H. W. M. van Run, Mr. H. J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 13.