1984/12 ongegrond

Van de Wiel contra Brabants Dagblad/C. Rijken

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van A. van de Wiel te Drunen tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad en C. Rijken

DE KLACHT

Bij brief van 30 januari 1984 met acht bijlagen heeft A. van de Wiel te Drunen (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad en C. Rijken (betrokkenen).

Bij brief van 27 februari met één bijlage hebben deze zich tegen de klacht verweerd. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 september 1984. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkenen verschenen eveneens in persoon samen met W. Klaassen, chef regio van het Brabants Dagblad.

FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klager is lid van de gemeenteraad van Drunen en heeft zitting in de raadscommissie voor Sport. Na een vraaggesprek met klager verschijnt in het Brabants Dagblad van 16 januari 1984 een artikel van de hand van betrokkene Rijken met als bovenkop 'Raadslid A. van de Wiel van DDE 2002 boos op college' en als onderkop tussen aanhalingstekens 'College Drunen solt met democratie'.
Bij brief van 16 januari 1984, gericht aan het college van B en W, met afschrift aan het 'Brabants Dagblad, t.a.v. de heer C. Rijken, en aan het gemeentepersoneel in dienst van de gemeente Drunen' geeft klager commentaar op het artikel. Klager noemt het stuk ongenuanceerd onder meer omdat positieve uitlatingen over het functioneren van de Sportcommissie en het gemeentelijk apparaat weggelaten zouden zijn.
In zijn begeleidende brief van 16 januari 1984 aan C. Rijken stelt hij dat hij niet beter wist of alleen hetgeen door hem gezegd was over het functioneren van de Sportcommissie zou in de krant komen. De brief eindigt met de zin 'ik geef U geen toestemming over deze en bijgaande brief te publiceren'.
In het Brabants Dagblad van 19 januari 1984 verschijnt een tweede artikel met als bovenkop 'Raadslid Drunen schrikt van eigen woorden' en in een groter letterkorps daaronder 'Van der Wiel trekt terug'. Het artikel maakt melding van de twee brieven van klager, aan B en W en aan C. Rijken. Onder het hoofdje 'Principes' vermeldt betrokkene Rijken dat klager publikatie van de brieven had verboden, 'Maar', zo voegt hij daar direct aan toe, 'het gaat natuurlijk niet aan openlijk--in een brief aan B en W en het voltallige gemeentepersoneel--het Brabants Dagblad te beschuldigen en vervolgens de krant te verbieden zich daartegen te weer te stellen'.
In het Brabants Dagblad van 24 januari 1984 staat onder de kop 'A. van de Wiel' het volgende berichtje opgenomen.

'Drunen - Anders dan wij donderdag berichtten, heeft raadslid A. van de Wiel te Drunen in zijn brief aan burgemeester en wethouders de kritiek die hij uitte in het interview van vorige week maandag niet grotendeels ingeslikt. Hij heeft alleen laten blijken het niet eens te zijn met de volgorde waarin zijn uitspraken werden geplaatst. En met het weglaten van een deel van zijn uitspraken'

DE STANDPUNTEN

Klager verwijt betrokkene dat over de inhoud van deze rectificatie geen overleg met hem heeft plaatsgevonden, dat deze klein en weinig opvallend is en dat daarin geen woord van verontschuldiging aan zijn adres voorkomt. Klagers tweede bezwaar is dat betrokkenen ondanks zijn verbod toch over zijn brieven van 16 januari gepubliceerd hebben.
Betrokkenen delen mee dat zij klager voorgesteld hebben een ingezonden brief te schrijven, speciaal voor de Langstraateditie waaronder Drunen valt, met daaronder een in overleg met klager op te stellen verontschuldigend naschrift. Toen klager dit voorstel afwees en aankondigde een klacht bij de Raad voor de Journalistiek in te dienen hebben zij zonder verder overleg een korte rectificatie geplaatst. Betrokkenen menen dat zij zich niet behoefden te storen aan het verbod van klager om uit of over zijn brieven te publiceren nu althans zijn brief aan B en W en het gemeentepersoneel voor zeer ruime kring (er zijn 70 à 80 gemeente-ambtenaren in Drunen) bestemd was. Daarmee kreeg die brief in hun ogen een openbaar karakter. Wel vinden zij achteraf dat het correcter zou zijn geweest indien zij klager voor de publikatie van 19 januari 1984 hadden ingelicht over hun voornemen uit de brieven te publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkenen erkennen dat het vervolgartikel in het Brabants Dagblad van 19 januari 1984 ten onrechte vermeldde dat klager zijn beschuldigingen aan het adres van het college van Burgemeester en Wethouders grotendeels had ingeslikt.
Het eerste onderdeel van de klacht richt zich tegen de wijze van afdoening door betrokkenen. Dezen deden na erkenning van hun fout een voorstel tot correctie aan klager. Het stond klager vrij dat aanbod (ingezonden brief met naschrift in overleg opgesteld) af te wijzen. Naar de mening van de Raad waren betrokkenen echter niet verplicht toen een ander voorstel te doen en hebben zij voor een voldoende correctie gezorgd met de door hen geplaatste rectificatie, ook al bevatte die geen verontschuldiging.
Wat betreft het door klager opgelegde verbod tot publicatie is de Raad met betrokkenen van oordeel dat dezen zich daaraan niet behoefden te storen. De inhoud van de aan B en W gerichte brief van klager was immers bestemd voor een zo ruime groep van personen, namelijk het voltallige gemeentepersoneel van Drunen, dat deze daarmee in feite als openbaar kon worden beschouwd. Klagers begeleidende brief aan het Brabants Dagblad was met bovengenoemde brief zo verweven dat ook hier betrokkenen zich niet aan het verbod tot openbaarmaking behoefden te storen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht in beide onderdelen ongegrond. De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 september 1984 door Mr. H. B. Vroom, voorzitter, Mr. G. Dullens, J. L. de Troye, Drs. H. W. M. van Run en Mr. A. J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1984, 12.